in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
februari 24th, 2020 by Jaap de Jong

“Een vlieger oplatende oom”. Over een onbekende foto van een liefde van Gerard Reve

Vanmorgen een nieuwe zending uit de collectie van Igor Cornelissen doorgenomen, waaronder een fotoboek. Mij treft een foto van een “moord en zelfmoord” op de Keizersgracht in Amsterdam. Rechts bovenin de foto staat in spiegelschrift het adres en de datum van een vermoedelijk tragische geschiedenis: Keizersgracht 722, 19 maart 1943. Verder geen gegeven dan de naam van de fotograaf: A. Lotens en de afbeelding zelf. De foto is afkomstig uit het Amsterdamse Politiearchief, maar er wordt geen enkele context geboden: niet in tekst, niet in noten en niet in de literatuur. Ik tast volledig in het duister. Er moet iets zijn. Dit is geen film, dit is de naakte werkelijkheid van dood, angst en passie. Dit is tragiek in zwart-wit. Moord? Een crime-passionel wellicht, wanhoop toch, maar geen koelbloedige moord als ik de foto bekijk.

Datum, adres en afbeelding zijn genoeg om de details van de geschiedenis te achterhalen. Links op de foto een paar flessen wijn of sterke drank, een Duitse krant. Op de kast staan wat boeken, op een kachel een pan. Zoeken op internet – ik ben daar goed in – en combineren van gegevens leert mij veel. Hier liggen de dode lichamen van Lies (Elize Marianna) Mogendorff (6 februari 1919-18 maart 1943) en Ernst ten Haaf. De laatste was in de jaren dertig docent aan het Vossius, een van de docenten – naast Jacques Presser en D.A.M. Binnendijk – die Reve wèl competent vond. Reve noemt de natuurkundedocent Ernst ten Haaf in Moeder en Zoon abusievelijk Ten Haeff, maar het gaat om Ernst Frederik Carl ten Haaf (3 juli 1889-19 maart 1943) die, na zijn geliefde Liesje – ex-leerlinge van het Vossius – door het hoofd te hebben geschoten, ook zichzelf om het leven brengt. Volgens Reve schoot hij zich door het hoofd. Bij Reve overigens geen letter over de andere dode: Lies Mogendorff, die vanwege haar joodse achtergrond was ondergedoken en, net als Ernst ten Haaf, in het verzet zou zijn geraakt.

Ik denk niet dat Reve de foto kende. Misschien zelfs – ik acht het waarschijnlijk – dat deze foto tot op de dag van vandaag (24 februari 2020) niet eerder in verband is gebracht met Lies Mogendorff en Ernst ten Haaf. De meeste foto’s uit het boek zijn zonder gegevens en/of verwijzingen naar personen. Ten Haaf had zich volgens Reve “als officier onttrekkend en, ondergedoken op het land, in een uitzichtloze liefde met een eveneens ondergedoken jong meisje het spoor totaal bijster gerakend (…) zich voor het hoofd geschoten.”

Gerard Reve vond Ten Haaf niet alleen een competent docent, maar hield van hem en droomde dat hij zijn vader “of een met mij vliegers oplatende oom zoude zijn”. Reve speculeert in Moeder en Zoon dat Ten Haaf “een even formidabele als fel verdrongen homo-erotiek zijn leven heeft verwoest”. Het zou kunnen, ik weet het niet. Reve beschrijft Ten Haaf als “een jongensachtige, joviale, gulle, man, een totaal verscheurd mens weliswaar, maar die niettemin heel levendig en onderhoudend les wist te geven. Zijn werkelijke leven was echter het Nederlandse leger, en zijn schaarse perioden van levensgeluk waren de weken dat hij, als kapitein van de genie, op herhalingsoefeningen ging, teneinde door ‘zijn jongens’ op de handen gedragen te worden, over wie hij nooit uitgepraat geraakte. Een zeer intelligente en gevoelige, maar weerloze padvinder, die het leven in zijn gezin en op de school eigenlijk niet aan kon, en van wie ik, in het geheim hield.”

Van Lies Mogendorff weten we meer. Haar zus Ro, een begaafd tekenares, tekende haar gezicht. Een dromerige vrouw die rechten studeerde en in de oorlog onderdook, maar zich ook wel op een vervalst paspoort door Amsterdam bewoog.

Wat een levens, wat een tragiek.

Later meer over foto en vindplaats.

februari 18th, 2020 by Igor Cornelissen

Links richten

Martin Mooij, socialist en vertaler, was jarenlang de spil van het kunstleven in Rotterdam. Hij bedacht Poetry International waar ieder jaar dichters uit binnen- en buitenland kwamen voordragen. Simon Vinkenoog, Remco Campert en Jules Deelder waren vaste gasten.

Mooij bedacht dat het aardig zou zijn een herdruk te maken van Links Richten, een initiatief van de communistische partij om arbeiders de cultuur in te trekken. Proletkult heette dat in de Sovjetunie. Van Links Richten verschenen tussen 1932 en 1933 twaalf nummers. Het blad ging, voorspelbaar, aan politieke conflicten te gronde. Veel medewerkers maakten later naam: Maurits Dekker, Nico Rost, Gerard Vanter, Jef Last en Frans Goedhart. In zijn Nawoord is Martin Mooij optimistisch: Links Richten, beweerde hij, had bewezen dat arbeiders heel goed tot zelfexpressie waren te brengen.

februari 17th, 2020 by Jaap de Jong

Boeken die “ek gaan nie verkoop nie”: Elisabeth Eybers en oom Manie

Bladerend door de Versamelde gedigte van Elisabeth Eybers stuit ik op Dagdroom. Het bestaan van Eybers werd mij ooit geopenbaard door een Chileense vrijheidstrijdster die mij over haar (en over de Dagdroom) schreef. Ik, onbesneden Filistijn, had toen – ergens einde jaren tachtig – nooit van haar gehoord.

De vader van Elisabeth Eybers, John Henry Eybers (1879-1962), was predikant in de Nederduits Gereformeerde kerk. Tijdens zijn preken nam hij haar meer in met de ogen, dan met het gesproken woord, zoals ze schrijft: “die lang, regop gestalte in die swart toga, die asketiese profiel en die gevoelige skraal hande wat langsaam en liefderik oor die blaaie van die oop Boek beweeg het.”

Oom Manie nam haar met het woord in. Oom Manie, koster en dorpsouderling, moet haast wel onder hen zijn die Eybers “die woordensoet het oor die tong gesprei.” In haar herinneringen schrijft Eybers over hem en zijn preken die ze als een “klein vakansie in die kerk” ervoer. Hij sprak, zo schrijft ze, over het alledaagse en bracht het zo dat “selfs die ‘hemelske’ (…) nooit te ver [was] van die ‘aardske’ nie, ons het sy beeldryke taal geniet.

Ik moest aan die herinnering denken terwijl ik de dagdroom herlas. Op de achtergrond het Kol Nidrei van Max Bruch dat ook al een en al droeve ingetogenheid is.

Dagdroom

Ek het jou brief gelees terwyl ek eet, /die woordesoet het oor my tong gesprei. /Verby die aardse brood het ek gestaar / dwarsdeur die bome in die raam, dwarsdeur die grys / wolkeplafon tot in die paradys / waar alles lig en helder is. En net / soos in die Bybel was ons naak en het ek, aangekla, gou hom die skuld gegee / wat skemerig sis. . . toe ek opeens gewaar / dat ek my halfgerookte sigaret / aftik in my twee-derde koppie tee.

De Versamelde gedichte van Eybers behoort tot de collectie die “ek gaan nie verkoop nie.” Voorlopig niet.

februari 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Indonesische overpeinzingen

Soetan Sjahrir was in 1945 de eerste premier van de Republiek Indonesië. In de jaren dertig studeerde hij enkele jaren in Leiden. Hij huurde er een kamer bij de (toen) links-socialist Sal Tas. Sjahrir ging er met de vrouw van Tas vandoor, wat de vriendschap tussen hen niet verstoorde.

Sjahrir werd na 1945 vrij snel naar het tweede plan verstoten. Hij kon niet opschieten met Soekarno die de volksmassa  beter wist te bespelen. In zijn scherpzinnige Indonesische Overpeinzingen schreef Sjahrir in 1936 al dat hij bij de andere nationalisten niet zo goed lag omdat hij leed aan Hollandophie. Hij was beïnvloed door de westerse cultuur. De scherpzinnige en belezen Sjahrir kruist in zijn overpeinzingen de degens met prof. Johan Huizinga. Nog altijd de moeite van het (her)lezen waard.

Méér autobiografieën

februari 16th, 2020 by Igor Cornelissen

De voetstappen van Theun de Vries

Theun de Vries was de enige bekende Nederlandse schrijver die ook communist was. Al sinds de jaren dertig. Hij was zelfs lid van het partijbestuur van de CPN, hoewel hij (schreef hij aan vriendin Tilly Visser) zwaar tabak had van al dat vergaderen en discussiëren. Hij schreef liever. Dat laatste lukte gezien zijn enorme productie. Tegen Hans van de Waarsenburg was hij openhartig. Dat kon ook, want toen had hij al voor de CPN bedankt.

Ook ik heb hem wel eens gesproken. Een goedmoedige, zachtaardige man. Maar in zijn jonge jaren was dat anders. In De Waarheid kon hij tekeer gaan. Toen Koestlers Darkness at Noon in Nederlandse vertaling verscheen, sabelde hij dat boek neer als “leugenachtig” en “de klacht van een renegaat”. In zijn roman Het meisje met het rode haar, een ode aan de verzetsstrijdster Hanny Schaft is de trotskistische arbeider, de enige die er in voorkomt, natuurlijk wel een onbetrouwbare schoft. De Vries kreeg vele onderscheidingen en in Dantumadeel is een school naar hem vernoemd.

Méér literatuur

februari 15th, 2020 by Igor Cornelissen

De sax van Stan Getz

Cees Schrama was een gedreven musicus en propagandist van de muziek waar hij van hield: Jazz. Zijn herinneringen staan vol met leuke anekdotes over de musici die hij ontmoette als presentator van radioprogramma’s  Sesjun die goed werden beluisterd.

Zijn portrettering van de altijd humeurige Stan Getz is voorbeeldig. Getz, zware drinker en gebruiker van verdovende middelen had altijd iemand nodig om af te zeiken. Een hulpmiddel om zijn eigen frustraties kwijt te raken. Gelukkig was dat over zodra hij op zijn saxofoon begon te spelen. Schrama had hem eens aangekondigd als Mr Stanley Getz wat hem woedend maakte. Hij was Stan, geen Stanley. Een jaar later wist Getz het nog en kreeg Cees opnieuw de wind van voren. Nadat ze het hadden uitgepraat, bood Getz zijn excuses aan, maar een prettig mens werd Getz nooit. Ook met zijn toen Zweedse vrouw had hij hooglopende ruzies.

Dat Cees Schrama een uitstekend pianist was kan ik getuigen. Hij was enkele malen mijn pianist als ik met de IGORiginal NEW Hot Shots optrad. Cees overleed in 2019.

Méér muziekgeschiedenis

februari 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Berlijns blauw

Ger Verrips, van origine gereformeerd, bekeerde zich tot het socialisme. Toen iedereen zich al zo’n beetje had afgekeerd van het communisme werd hij in 1953 lid van de CPN. Hij kwam zelfs in het partijbestuur, een diehard in die tijd. Hij bedankte omdat hij schrijver wilde worden.

Er staat een omvangrijk oeuvre op zijn naam, maar bij zijn dood kreeg hij slechts enkele regels in de kranten. Of helemaal niks. Zo gaat dat in Nederland: snel vergeten. In Berlijns blauw schrijft hij over zijn breuk met de CPN. Toen hij eens naar Zwolle kwam om mijn documentatie over de CPN te raadplegen (hij schreef er later een dik geschiedenisboek over) kwam hij over als een zachtmoedig man. In het toen nog bestaande literaire café In de Sinnepoppen dronken we vele borrels.

Hij werd steeds vredelievender.

N.a.v. Berlijns Blauw met recensie door Louis Ferron in Vrij Nederland.

februari 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Delauny – alles over potten- en pannenmuziek

Charles Delaunay’s New Hot Discography was vele jaren, om het oneerbiedig te zeggen, mijn bijbel. Alle jazzplaten, opgenomen tussen 1921 en ruwweg 1948 staan er in. Met niet alleen de namen van de musici, maar ook de plaats en datum van opname.

Toen ik dat boek in 1958 kocht was er in Nederland heel weinig bekend over die Amerikaanse muziek die hier veelal werd afgedaan als potten- en pannen muziek. Bij Delaunay kon je nalezen wie toch die trombonist was die met King Olivers Creole Syncopators in april 1923 Canal Street Blues had opgenomen. Kid Ory? Nee, die speelde pas later met Oliver. Het was Honore Dutray.

Over dat soort zaken kon het kleine groepje jazzliefhebbers zich rondom 1958 enorm opwinden. Inmiddels weten we dat de juiste spelling van zijn naam Honoré Dutrey is en dat hij bijna zijn hele leven aan astma leed. Voor een blazer een nare ziekte. Dat van die astma haal ik overigens niet uit Delaunay. Er zijn andere bronnen, maar dit laatste geheel terzijde.

Méér potten- en pannenmuziek

februari 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Dramatiek bij Weizmann

Chaim Weizmann de eerste president van Israël was, als veel andere zionisten, afkomstig uit het tsaristische Rusland. Hij kwam al vroeg naar Engeland waar hij als chemicus een erkend geleerde werd. Dat vergemakkelijkte zijn contacten met Britse politici zoals Winston Churchill die hij met achting beschrijft in zijn memoires Trial and Error. Weizmann probeerde de anti-Britse gevoelens van veel zionisten in de periode rond het ontstaan van de staat Israël te temperen. Niet altijd met succes.

Zijn zoon Michael sneuvelde tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de kust van Frankrijk als piloot van de RAF. In de korte passage waarin Weizmann die ramp beschrijft, is hij terughoudend, maar je voelt het verdriet van hem en zijn vrouw. ‘Immensely dramatic’ was het oordeel van Malcolm Muggeridge  over zijn memoires.

Meer autobiografieën

februari 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Leonie’s raadsels

Als Gerard Aalders, jarenlang werkzaam op het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, in de archieven duikt dan is het diep. Hij is belust op ‘smeerlapperijen’ uit WO II die nooit goed uit de verf zijn gekomen. Prins Bernhard was en werd dan ook nooit zijn vriend.

In Leonie gooit hij zich op de dubbelspionne Leonie Brandt-Putz. Ze speelde een vreemde rol in het Bureau Nationale Veiligheid, de voorloper van de AIVD. In Leonie schrijft Aalders ook een hoofdstuk over de geruchten over de stadhoudersbrief die prins Bernhard in april 1942 aan Hitler zou hebben geschreven en die Menten in de jaren veertig gebruikt zou hebben om mensen onder druk te zetten. De oerbron van het verhaal over de stadhoudersbrief is Leonie Brandt-Pütz. Aalders beweerde overigens nooit dat de brief ook werkelijk bestaat.

Ik probeerde Leonie eens te interviewen, maar ze was, op leeftijd al, ladderzat. Ze liep steeds naar een kast in haar kamer waar een fles stond. Dan nam ze een slok en ging weer zitten. Mijn ontmoeting met Leonie, kon Aalders in zijn boek verwerken. Aalders kon niet alle vraagtekens beantwoorden, maar wie van ‘sjoemelpraktijken’ houdt, blijft geboeid lezen.

Meer geschiedenis

februari 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Simon Wiesenthal, de jager uit Wenen

Simon Wiesenthal overleefde concentratiekampen en werd na de oorlog bekend als jager op verdwenen en dus nooit berechte vervolgers en beulen. Hij had in de jaren zestig en zeventig een naam als vrijwel eenzaam strijder voor gerechtigheid. Met name in Nederland had hij, door zijn nauwe samenwerking met met Loe de Jong en Ben Sijes van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, een grote naam. Hij leek alleen te werken. Die indruk kreeg ik ook toen ik hem in zijn met papieren en documenten volgestouwde kantoortje in Wenen bezocht. Ik zag alleen nog een andere dame, een vrijwilligster, achter een typemachine.

Uiteraard kreeg Wiesenthal een biograaf. Dat werd Hella Pick, geboren in Wenen jarenlang redactrice van The Guardian en specialiste in de Oost West verhouding. Pick schetst een genuanceerd beeld van de man die gedreven werd door zijn gevoel voor gerechtigheid, maar ook veel weerstand opriep. Niet alleen van ex- of neo-nazi’s maar ook in eigen joodse kring.

Er komt veel aan bod: de aanhoudende ruzie met de (ook joodse) premier van Oostenrijk Bruno Kreisky; de mening van Isser Harel van de Mossad die Eichmann gevangen nam en ontvoerde; prof David Cesarani, biograaf van Eichmann) en het Joods Wereldcongres. Evenals de aanvallen vanuit Polen waar men Wiesenthal collaboratie met de nazi’s verweet. Harel noemde Wiesenthal een bedrieger. Pick beschrijft Wiesenthal als een man die ‘niet zonder fouten’ was, maar is tegelijk overtuigd van zijn rechtschapenheid.

Meer biografieën.

februari 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Bill Crow – Scenes from a jazz life

Bill Crow (1927-) is een jazzbassist die met veel grote namen heeft gewerkt. Hij was ook een goed waarnemer en onthield niet alleen de eigenaardigheden en uitspraken van zijn collega’s maar schreef ze gelukkig ook op. Een mooie vond ik over de door mij bewonderde trombonist Vic Dickenson. Die was uit het verre Xenia in Ohio naar New York gekomen en had daar naam gemaakt door platen te maken met Sidney Bechet en, later, met de trompettist Ruby Braff.

Niet meegekomen naar de grote stad was Vic’s broer Carlos die heel goed altsaxofoon moet hebben gespeeld. Vic probeerde hem zonder succes over te halen zijn geluk te proberen in New York. Vic Dickenson had het vaak over die broer. Na het overlijden van Carlos ging Vic naar de begrafenis. De volgende dag stond hij al weer op de Bühne. Van zijn gezicht straalde het verdriet af. Die hele avond speelde Vic Dickenson door. De liedjes waren somber en de achtergrondjes die hij speelde droefgeestig. Zijn mondstuk nooit langer dan een minuut van zijn lippen. ‘It was a remarkable example of the healing power of music.’

Meer jazz & muziekgeschiedenis

februari 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Walter Laquer en de ziekte Hollanditis

Walter Laqueur was een uit Duitsland gevluchte journalist die in Palestina en later in Israël journalist was. Daarna werd hij boekenschrijver, gevolgd door een directeurschap van de Wiener Library in Londen en een hoogleraarschap in Amerika. Hij was een veelschrijver, maar een van het goede soort. Hij schreef over de Sovjetunie, massa terreur, spionage en wat al niet meer.

Ik sprak hem in de jaren tachtig in Maastricht waar hij een lezing gaf. Hij las een beetje Nederlands, geleerd in een kibboets waar een grote bibliotheek was. Las men in Nederland nog Vondel, Gorter en Henriette Roland Holst, wilde hij weten. Ik moest hem teleurstellen.

In Het gruwelijke geheim ontleedt hij de massamoord op de joden. Er was tijdens de oorlog meer over bekend dan werd toegegeven. Niet alles, maar wel snippers waarheid. Het leek allemaal te gruwelijk om te geloven. In 1942 waren er al berichten dat er een miljoen joden waren vermoord. Dat kwam in de Daily Telegraph en werd door andere kranten overgenomen. Geen leuk boek. Is geschiedenis ooit echt leuk?

Walter Laqueur was overigens ook de uitvinder van het woord Hollanditis waarmee hij de passiviteit en overheersende pacifistische gevoelens bedoelde die in Nederland (en elders) het communistische gevaar onderschatten.

februari 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Lucebert, de dichter die van zijn voetstuk viel

Lucebert, keizer der vijftigers (zelfkroning), vereerd en na de onthulling door Hazeu dat hij een jodenhater en bewonderaar van Hitler was, werd toch een beetje afgedankt. Hazeu leverde een boeiende levensbeschrijving van de man. Links in gevoelens, maar met een tweede huis in het Spanje van dictator Franco. Hij had in de armoedige jaren vijftig moeite om aan de kost te komen.

Ik woonde rond 1960 op kamers bij pottenbakster Frieda Koch, Van Eeghenlaan 7 in Amsterdam. Zij was eerder de geliefde van Lucebert geweest en had voor hem Bert Schierbeek verlaten. Toen ik op de Van Eeghenlaan woonde herinnerden tekeningen van Lucebert op de vloerplinten aan de roemruchte jaren van knarsende liefde en bijbehorend verdriet.

In het boek o.a. een fraaie foto van Frieda Koch wier dochter ik nog even beminde. Zij (die dochter) was veel te jong en schrok toen ik haar zoende. Ik moest mijn excuses aanbieden. Frieda aanvaardde die met een warme, begripvolle glimlach. Maar daar schrijft Hazeu natuurlijk niet over. Wel veel over de gelauwerde dichter en schilder die postuum toch een beetje (?) van zijn voetstuk viel.


Houdt u niet van gevallen dichters of kiest u liever voor een andere biografie of twee anderen? Kuyper, Wiesenthal, Mata Hari, Anna Blaman, Beel en wie al niet meer…

februari 6th, 2020 by Igor Cornelissen

Een misser in mijn leven

Eén van de missers in mijn leven: Ik ben nooit naar een concert van Louis Armstrong geweest. Hij is meerdere malen in Nederland geweest. Voor de oorlog tweemaal. Toen was ik te jong. Na de oorlog had het gekund, waarschijnlijk had ik de eerste keer geen geld. En daarna? Ik denk dat ik hem toen te commercieel vond. Ik was purist en vond het bedenkelijk dat hij La vie en rose en Mack the Knife speelde.

Pas later begreep ik dat Louis de grootste van alle jazzmusici was, niet alleen als trompettist maar ook als performer. Een warme man die wilde, en daar ook in slaagde, dat zijn publiek een uitbundige avond kreeg. Vanuit de sloppen van New Orleans veroverde hij, via Chicago en New York, de wereld. Honderden trompettisten, zwart en blank, namen hem als voorbeeld. Ik draai hem nog vaak. Zelfs de eerste plaat die ik van hem kocht: Weary Blues, opgenomen in 1927.

Er zijn inmiddels veel boeken over Armstrong geschreven. James Lincoln Colliers biografie blijft recht overeind staan. Aardig is zijn beschrijving van Louis mening over zijn impresario Joe Glaser, een man met zekere contacten in de maffia. Glaser incasseerde een heel hoog percentage voor de diensten die hij Armstrong dertig jaar bewees. Toen Glaser overleed was Louis van streek. Ze mochten elkaar. Collier is niet helemaal up to date want sinds zijn boek in 1984 verscheen, heeft een dame zich bekend gemaakt als de dochter van het genie. De discussie over de betrouwbaarheid van haar bewering is, meen ik, nog gaande. Louis was gek op kinderen, maar iedereen dacht dat hij er zelf geen verwekt had.

Meer muziekgeschiedenis?

februari 5th, 2020 by Igor Cornelissen

Een monument voor Selma

Toen Bart de Cort nog op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam werkte, spraken we vaak over dezelfde zaken: links-socialisten die in de vergetelheid waren geraakt. We schreven er boeken of artikelen over. Bart reisde een geliefde achterna en woon nu al jaren in Canada. We zijn hetzelfde blijven doen en helpen elkaar soms bij onze naspeuringen. In de korte biografie van Selma Meyer heeft De Cort een monumentje opgericht voor een joodse vrouw die met andere linkse mensen het vaak bezongen woord Solidariteit gestalte gaf.

Selma Meyer hielp na 1933 Duitse vluchtelingen en later zette ze zich in voor de door Franco aangevallen Spaanse republiek. Ze was onconventioneel en onafhankelijk wat het moeilijk maakt haar in een hokje onder te brengen. Waarschijnlijk stond ze ook in contact met de Engelse geheime dienst. MI6. Ze werd in oktober 1940 gearresteerd. Niet als jodin, maar als vijand van Hitler-Duitsland. Ze overleed een jaar later in een Duits ziekenhuis aan een dubbele longontsteking. Haar moeder had nog opdracht gegeven een steen op haar graf te plaatsen, maar of dat ooit is gebeurd viel niet te achterhalen. Het notenapparaat in het boekje getuigt van De Corts speurzin en nauwgezetheid.

februari 4th, 2020 by Igor Cornelissen

Anna Blaman: ben liever als man

De stad Rotterdam vereerde Anna Blaman (1905-1960) in 2010 met het standbeeld van een Harley. Op de bagagedrager staat “eenzaam avontuur”, een bekende titel van de schrijfster. Dat rijden op een Harley zou een teken van mannelijkheid zijn. Anna reed met regelmaat naar Brussel en Parijs. Op de motor.

Anna Blaman was het pseudoniem van Johanna Petronella Vrugt. Haar schrijversnaam zou betekenen Ben Liever Als MAN. Zij was een van de eerste schrijfsters die voor haar gevoelens uitkwam. Anna Blaman woonde haar hele leven in Rotterdam maar zocht in Amsterdam contact met andere schrijvers en kunstminnenden. Daar kwam ze in contact met Mathilde Visser, communiste. Anna schreef uiterst erotische brieven aan Mathilde, die niet inging op haar uitnodiging in Rotterdam bij haar te komen logeren. Anna had een bed dat groot genoeg was. Ik kon de brieven van Anna gebruiken voor mijn biografie over Mathilde Visser, die in een paar boeken van Blaman onder een andere naam voorkomt.

Anna Blaman hing in die eerste naoorlogse jaren dicht tegen de CPN aan. Over die gegevens beschikte biograaf Henk Struyker Boudier van Anna Blaman niet. Zijn dissertatie bevat genoeg andere bijzonderheden over deze vrouw wier proza zowel geprezen als afgekraakt is. Voor sommige vrouwen bleef ze een boegbeeld. Ze was in ieder geval een fenomeen als dat woord tenminste iets zegt.

De omslag van het boek van Henk Struyker Boudier is van de kunstenaar Paul Citroen. Maar dit terzijde.

Méér biografieën?

februari 3rd, 2020 by Igor Cornelissen

Kunst aan banden

Hans Mulder schreef een uitgebreid en overzichtelijk boek over de kunst in de crisis- en bezettingsjaren. Er komen tientallen namen in voor, maar er is een goed personenregister. Heldere illustraties van het werk van Wichman, Melle, Jan Sluyters, de vervalser Han van Meegeren en de surrealist Moesman (die graag vrouwen met zweepjes sloeg, maar dat staat niet bij Mulder).

Prof. Hans Jaffé merkt in zijn Inleiding op dat er een overeenkomst is tussen de artsen en de kunstenaars tijdens de oorlog. Ook artsen waren in de oorlog vrijwel eensgezind in hun afwijzing van de door de bezetter opgelegde normen en waarden. Maar de kunstenaars waren veel meer afhankelijk van publieke bekendheid en erkenning. Wie niet tekende voor de Kultuurkamer (voor joden verboden), mocht niet meer exposeren of publiceren. Dat zovelen toch weigerden zich voor die Kultuurkamer aan te melden, strekt hen tot eer.

In het boek van Mulder ook nog een interessant lijstje van uitkeringen door het (foute) Departement van Volksvoorlichting en Kunsten aan de meelopers. Karel Appel ontving in 1944 nog 585 guldens. Veel ophef is daar na de oorlog niet over gemaakt. De toenmalige directeur van het Stedelijk Museum, jhr. Willem Sandberg, liep nogal met de schilder weg. Appel was immers vernieuwend. Claartje Wesselink, die in haar recente dissertatie (2014) voortbouwde op het werk van Hans Mulder, legt daar de vinger op. Tijdens de expositie Jonge schilders uit 1946, waar ook Appel te zien was, werd Sandberg er in een brief op gewezen dat de schilder tijdens de oorlog ‘uit den duitschen hand’ had gegeten en ‘van Gerdes z’n duitsche fooi’ had ontvangen. Maar Sandberg weet het niet geheel brandschone verleden van Karel Appel onder het tapijt te schuiven.

Dit geheel terzijde.

Nog meer kunst bij Cornelissen & De Jong

februari 2nd, 2020 by Igor Cornelissen

Geheel terzijde: George Grosz

George Grosz was een begenadigd tekenaar. Zijn karikaturen van Das Militär, het burgerdom, luxe en voosheid van het Berlijn van de jaren 20 zijn messcherp. Dat hij net zo scherp kon schrijven als tekenen blijkt uit Een klein ja, een groot nee. Zette hij eerst zijn karikaturen neer uit verwondering, het werd al snel woede. Die kwaadheid is in zijn geschreven herinneringen gelukkig omgebogen tot vrolijkheid en humor.

Schitterende portretten van tijdgenoten als Bertolt Brecht en kunsthandelaar Alfred Flechtheim. Zijn excursie (op uitnodiging!) naar het communistische Rusland in 1922 is meeslepend. Grosz geloofde er toen al niet in en schreef er met humor over. In 1933 vertrok Grosz met vrouw en twee zoons, kort voor het aan de macht komen van Hitler, naar Amerika. Nee, legt hij in zijn boek uit, hij had het niet zien aankomen. Marty Grosz, een van zijn zoons, werd een bekwaam en gevierd jazz guitarist.

Ik musiceerde met Marty Grosz toen hij in Nederland concerten gaf. We speelden, zonder repetitie, vlekkeloos Rosetta van, dat weet iedere jazzliefhebber, pianist Earl Hines. Marty vertelde over zijn vroege jaren in Amerika. Zijn vader vond die jazz geweldig goed en opwindend. Zijn moeder, een echte Duitse en dus liefhebster van opera, vond het Musik von betrunkene Neger. Dat laatste weer geheel terzijde. 

februari 1st, 2020 by Igor Cornelissen

Over de ‘wording’ van een knaap

Henry Roth werd in 1906 in Galicië geboren en kwam een jaar later met zijn ouders naar Amerika, voor veel joden toen het Beloofde Land. Zijn Noem het slaap over de ‘wording’ van een knaap in het levendige East Side van Manhattan, kwam in 1934 uit. Ondanks de goede kritieken zweeg Roth tot 1964.

Zijn boek werd herontdekt en beleefde een laat wereldsucces. In Nederland werd Roth aangeprezen door Maarten ‘t Hart. In Vrij Nederland nam hij het op voor ten onrechte vergeten boeken. Mij werd het boek aangeraden door een handelaar op de Zwolse boekenmarkt. Aangezien hij vooral goede boeken in de verkoop had, vertrouwde ik hem. Hij had gelijk. Het kan nooit kwaad eens naar een ander te luisteren.

Achterin een korte lijst met woorden en uitdrukkingen uit het Hebreeuws en Jiddisch vertaald. De vertaling is van Beccy de Vries van wie ik een aardig joods kookboekje heb dat ik vanwege haar viskoekjes en de matzeballen (nog) niet weg doe.

Andere kookboeken doen we dan weer wel weg.