in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
april 1st, 2020 by Igor Cornelissen

De zonden der vaderen

Nu de discussie over Amsterdam (opnieuw?) start als geschonden stad wegens de slavenhandel is de serieuze studie Sins of the Fathers uiterst welkom. Amsterdam komt er maar een paar keer in voor, maar wel wordt Michiel De Ruyter genoemd (en glorieus afgebeeld) die enige tijd in Elmira, het fort op de Westkust van Afrika vertoefde.

Veel aandacht ook voor Willem Bosman die twee slavenopstanden neersloeg. Deze studie over de Atlantische slavenhandelaars tussen 1441 en 1807 gaat natuurlijk niet alleen over Hollanders. De Portugezen wilden ook graag geld verdienen. Mooi geïllustreerd.

maart 28th, 2020 by Jaap de Jong

“Gott ist ein lauter Nichts.” Over Aurelius Augustinus en Angelus Silesius

De Nicolaikerk is zonder enige twijfel de mooiste kerk van Utrecht: daar treffen jeugd, dood, waanzin en ouderdom tezamen. En ook de vroomheid. Het zijn niet mijn woorden, maar die van de Utrechtse schrijfster Clare Lennart. In een gedenksteen gebeiteld en met regelmaat met graffiti besmeurd door hen die voor het eerst of opnieuw in “de ochtend van het leven” zijn aangeland.

Het was op een zondagmorgen ergens aan het einde van de jaren negentig dat ik daar stond: in het portaal van de Utrechtse Nicolaikerk. Alleen. Binnen zong de gemeente: “Ach, dat ik u zo laat herkende/Gij die de schoonheid zelve zijt/dat ik mij eer niet tot U wende.” Het gemeentegezang (lied 430), die ik in het portaal beluisterde, trof mij als de bliksem – niet zozeer door een goddelijke interventie (hoewel ik die niet wil uitsluiten) – maar omdat ik het lied direct herkende als een geslaagde interpretatie van een passage uit de Belijdenissen. Deze thriller van Augustinus is één van de mooiste teksten – zo niet de mooiste – uit de wereldliteratuur.

Ik was nog geen twintig toen ik de Belijdenissen voor het eerst in handen kreeg. Ik spuug niet in de bron waaruit ik dronk, maar kwam er wel achter dat Augustinus er meer geprezen dan gelezen werd. Een genie in taal en in denken, maar zo anders dan ik gewend was. Bij die lezing realiseerde ik mij dat het huis van de Heer inmiddels grondig was verbouwd en dat gold zeker voor het huis waar ik was groot gegroeid; dat was verworden tot een lemen nachthut in de komkommerhof. Ik las de Belijdenissen een kwart eeuw later nog eens. Bij die laatste lezing was ik mij wat meer bewust van het retorisch talent van Augustinus: zijn vaardigheid om in een uiterst persoonlijke stijl de emoties te bespelen. Hij bespeelt niet één toets, maar zet alle registers van de taal open. Ja, hij legt de Schoonheid zelve op tafel, proeft haar en maakt van de lezer een voyeur van een bijkans erotisch spel. Nee, niet bijkans, hij gaat vol op het orgel:

“Te laat heb ik U lief gekregen, o Schoonheid, die zo oud en toch zo nieuw bent, te laat heb ik U lief gekregen! En zie, U waart in mijn binnenste en ik was buiten en daar zocht ik U, en ik, die wanstaltig was, stortte mij op de schone dingen, die U gemaakt hebt. U waart met mij, maar ik was niet bij U. Die dingen hielden mij ver van U, die niet zouden zijn, als ze niet waren in U. U hebt mij genood en geroepen en mijn doofheid verbroken, U hebt geblonken en geschitterd en mijn blindheid verdreven, U hebt liefelijke geur verspreid en ik snoof die in en hijg nu naar U, ik heb geproefd en nu honger en dorst ik, U hebt mij aangeraakt en ik ben ontbrand naar Uw vrede.”

Angelus Silesius, een pseudoniem voor Johan Scheffler (1624-1677) maakte van de passage uit boek X van Belijdenissen een gedicht dat later door Ad den Besten is vertaald. Het werd als lied 430 in het Liedboek van de kerken opgenomen.

Silesius studeerde in de jaren veertig medicijnen in Leiden en promoveerde later in Padua. In Leiden verkeerde hij onder sympathisanten van Jacob Böhme. Ik vond indertijd helaas geen sluitend bewijs van zijn inschrijving als student in Leiden. Angelus Silesius is beroemd geworden door zijn Cherubinischer Wandersman, een verzameling van puntdichten, die blijk geven van zijn pantheïstisch mystieke inslag. Hij was verwant aan Meister Eckhart en de richting die ook wel bekend is als de negatieve theologie.

Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier; je mehr du nach ihm greifst, je mehr entwird er dir.

Ik geef de voorkeur aan het Duitse origineel. Het is duidelijk zijn dat Silesius God als de onbenoembare, de niet grijpbare voorstelt. Hoe meer je hem tracht te (be)grijpen, hoe meer hij je ontgaat. Ik gebruik het soms als ik per ongeluk in gesprek raak met dogmatische scherpslijpers, met Jehova-getuigen of andere getuigenden. Maar liever niet.

Van Silesius is ook het puntdicht dat mij ieder jaar met kerst in gedachten springt: Ook al is Jezus duizendmaal in Bethlehem geboren, maar niet in u, dan bent u nog verloren. Tja, ik kom er maar niet af. Overigens schreef Silesius later een dogmatisch werk waarvan je in slaap valt. Je ziet dat vaker bij dichters. Gorter die de Ethica vertaalt en later in dogmatisch marxisme verzandt. Je bronnen dichtgooien. Moet je niet doen.

Mijn eigen exemplaar van Belijdenissen is van Alexander Sizoo (1889-1961), classicus en hoogleraar aan de VU die naast Augustinus ook de Institutie van Calvijn vertaalde. Dat exemplaar verkoop ik niet, evenmin als de Cherubinischer Wandersman oder geistreiche Sinn- und Schlussreime. De vertaling van de Belijdenissen van Gerard Wijdeveld is te koop, evenals ander geestrijk werk. Met Salomo zeg ik: koop de waarheid en verkoop ze niet.

Meer theologie

maart 28th, 2020 by Igor Cornelissen

De Harzreis – in het voetspoor van Heinrich Heine

Anderhalve eeuw nadat de Duitse dichter Heinrich Heine door de Harz wandelde, deed mijn betreurde collega en vriend Martin van Amerongen dat met zijn vrouw Anneke Woudstra opnieuw. Anneke vertaalde Die Harzreise en Martin speurde naar de steden, pleinen en herbergen waar Heine verbleef.

De Harz lag in 1974 deels in West en voor een ander deel in Oost Duitsland, toen nog de Deutsche Demokratische Republik geheten wat hier en daar gepeperde commentaren opleverde. Gedenkstenen voor de dichter? Niet of nauwelijks. Zoveel jaren na zijn dood werd Heine nog altijd gehaat. Iets dat Van Amerongen een hele prestatie noemde. De tekst verscheen eerder in Vrij Nederland, twee weken achter elkaar op drie volle pagina’s. Krantenformaat destijds hetgeen Martin deed uitroepen; VN is verreweg het beste weekblad in het Nederlandse taalgebied.

Van Amerongen  werd op de redactie overigens door menig collega verweten dat hij altijd over dooie Duitse dichters schreef. Wat deze autodidact met zijn enorme productie allemaal bij elkaar schreef verdient echter de hoogste achting. Waar haalde hij toch de tijd vandaan?

Merkwaardig was die reis door de natuur overigens wel, want Martin was een stadsmens pur sang. Toen hij eens door Anneke werd meegetroond naar het vakantieoord Fredeshiem in de buurt van Steenwijk had hij na twee dagen al een dwingende reden bedacht om spoorslags terug te keren naar zijn geliefde Amsterdam.

maart 27th, 2020 by Igor Cornelissen

George Melly: de vissende performer

Toen ik lang geleden met de Kerst in Londen was, kondigde de omroeper op de TV aan dat er die avond toch iets open was: een jazzclub waar George Melly zou zingen met de Feetwarmers. Binnen een kwartier zitten mijn vriendin en ik in een taxi naar Ronnie Scott’s jazzclub. Wat een avond. Warmte en vreugde!

Melly zong oude bekende en bijna vergeten jazzliedjes uit de jaren twintig en dertig. Ik heb hem daarna vaker gehoord. Een performer met een gevarieerd leven. Als groot kenner van het surrealisme schreef hij kunstkritieken. Voor de Observer recenseerde hij TV en films. Zijn seksleven was gevarieerd. Biseksueel en daarna toch vooral hetero. In ieder geval diverse kinderen uit verschillende huwelijken. Hij hield van vissen en verkocht twee dure schilderijen om een molen te kunnen kopen in de buurt van een rivier in Wales. Hij ging met zingen door tot het bittere einde. Longkanker en andere ziektes. Voor de Britse TV zag ik hem kort voor zijn dood met een ooglap voor. Ook was hij vrijwel stokdoof geworden. Het leek hem niet te deren.

Ik ontmoette Melly eens in de Amsterdamse Damstraat waar hij voor een antiekwinkel naar binnen stond te kijken. Toen ik hem aansprak en vertelde dat ik jazzliefhebber was en hem in Londen had gehoord, stelde hij direct voor een biertje te gaan drinken. Ik had geen tijd, want was op weg naar een belangrijke spoedvergadering van de redactie van Vrij Nederland. Waar die vergadering over ging, ben ik al lang vergeten. Ik had natuurlijk dat biertje moeten gaan drinken. In Rum bum vertelt hij over zijn tijd aan het einde van de oorlog toen hij dienst nam bij de marine. Het werd geen succes en hij werd nog bijna voor de krijgsraad gedaagd omdat hij een anarchistisch blaadje las.

Meer muziekgeschiedenis

maart 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Igor Cornelissen over “het domste dat bestaat”

Das Ende Israels? kwam uit in 1975. In zekere zin kan het vraagteken ruim veertig jaar later dus met Nein worden beantwoord. Het zeer kritische en anti-zionistische boek werd geschreven door Nathan Weinstock.

Alles wat de Israëliërs de Palestijnen aandeden, waar of niet waar, staat er in, met een rijke verwijzingen middels voetnoten naar andere literatuur. Nathan Weinstock (Antwerpen, 1939) is vertaler Hebreeuws en jiddisch. In de tijd dat hij dit boek schreef was hij lid van een Matzpén, een trotskistische splintergroepering.

Das Ende Iraels? is zware en geen vrolijke kost. Ik denk dat geschiedenis per definitie niet vrolijk is. Zware kritiek op Israël dus. En ook nog door een jood. Zoals mijn vriendin Anke me leerde: Alles bestaat. 

Ergens bewust geen kennis van willen nemen, is het domste dat bestaat.

maart 24th, 2020 by Igor Cornelissen

“Van nature vreesachtig”

Dr. J. W. Berkelbach van der Sprenkel gold als een geliefd docent. Hij was leraar in Gorinchem en Haarlem. Hij wilde graag een breed publiek bereiken. Daarvoor was Oranje en de vestiging van de Nederlandse staat  uiterst geschikt. Onderhoudend vertelt hij over de Inneming van Den Briel waarbij niet wordt verdoezeld dat de watergeuzen het plunderen veelvuldig beoefenden.

Oranje was, besluit Van der Sprenkel, van nature vreesachtig, maar eindigde moedig. Het boek dat in 1946 verscheen bevat een bibliografie. Er is sindsdien veel geschreven over de Oranjes en het ontstaan van wat we nu Nederland noemen.

Dit boek van Berkelbach van der Sprenkel blijft een mooie introductie.

Meer biografieën

maart 24th, 2020 by Igor Cornelissen

Van Randwijk: onderwijzer uit de Jordaan

Henk van Randwijk had enkele voordelen boven alle anderen die over de oorlog schreven. Hij was voor de oorlog onderwijzer in de Jordaan geweest en wist dus hoe hij een begrijpelijk verhaal moest vertellen. In de tweede plaats kon hij ook nog goed schrijven. Hij had heel wat bijgeleerd sinds hij, voor de oorlog, zijn progressieve christelijke roman Burgers in nood schreef. Voornaamste reden: hij had midden in het verzet gezeten als (hoofd) redacteur van het illegale Vrij Nederland. Dat bleef hij na de oorlog. Tot het weekblad bijna geen lezers meer overhield.

Van Randwijk was voor een vrij, onafhankelijk Indonesië, maar de regering (KVP en PvdA) bleef troepen sturen en oorlog voeren omdat het land ‘van ons’ was. Van Randwijk schreef dat hij zich schaamde Nederlander te zijn. Voor het Algemeen Handelsblad schreef hij onder de naam Sjoerd van Vliet (zijn verzetsnaam) terugblikken; Hoe het werkelijk geweest was. De angst, de moed, de steun, trouw. Al die gewone woorden kregen bij hem een lading omdat hij wist waarover hij schreef.

Ik kwam bij Vrij Nederland in 1962 toen Van Randwijk al lang was opgevolgd door de katholieke Mathieu Smedts, ook een verzetsman, die een gruwelijk kamp had overleefd waar iedere week mensen onder de valbijl stierven. Ik heb een keer met Van Randwijk in een televisieforum gezeten. Hij was een begaafd spreker. Iemand met wat vroeger een charisma werd genoemd. Ik weet er weinig meer van. Het ging meen ik over hulp aan arme landen. Van Randwijk pleitte voor ontwikkelingshulp. Ik zat nog in mijn trotskistische periode en mikte op de wereldrevolutie en de opstand van de Afrikaanse volkeren. We zaten er, denk ik nu, beiden naast.

Als Van Randwijk over de oorlog schreef had hij gelijk. Het verzet had wel degelijk zin gehad. Niet eens om het nuttig effect als wel als houding. Een teken om een grens te stellen aan Hitlers macht. ‘En welke morele kracht, welke oproep voor vandaag en morgen zou nog betekenis hebben, als die van gisteren wordt ontkend?

Meer biografieën

maart 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Rosa Luxemburg in Nederland: “was soll ich tun?”

Volgend jaar is het 150 jaar geleden dat Rosa Luxemburg werd geboren. Ze wordt nog ieder jaar herdacht in Berlijn waar ze in 1919 werd vermoord. Haar moordenaar heeft nog een tijdje in Nederland vrij rond gelopen. De vraag dringt en dreigt: Wat moet ik met mijn Rosa Luxemburg collectie doen? Volgend jaar naar het antiquariaat ‘t Wasdom verhuizen?

Rosa was in Nederland toen in 1904 de Socialistische Internationale vergaderde. Het was de tijd dat de anarchisten de parlementaire socialisten wel konden vreten. De socialisten lieten zich dan ook soms vergezellen door potige lijfwachten. Rosa kreeg Wolf Lelie toegewezen. Wolf Lelie, de krachtige vaandeldrager van de SDAP, kende geen Duits. Beiden konden ze overweg met het jiddisj. Toen een opstootje dreigde vroeg Rosa aan Wolf: “Was sol ich tun?” Waarop Wolf Lelie antwoordde: ‘Ba mir bleibe’.

Rosa Luxemburg was vele jaren het schitterende voorbeeld voor de socialisten die zich verzetten tegen de Eerste Wereldoorlog. Rosa stemde met Karl Liebknecht in het Duitse parlement tegen de oorlogskredieten en bleef ageren. Ze kwam in de gevangenis. Veel socialisten en communisten noemden hun dochter naar Rosa. Zoals de Nederlandse communistenleider Paul de Groot. Zijn Rosa werd (met zijn vrouw) in Auschwitz vermoord. Paul de Groot hertrouwde, maar kwam dat verlies nooit te boven. De man was getraumatiseerd, maar ging niet naar een psychiater. Dat zou op zwakte kunnen wijzen.

Of ik mijn boeken van en over Rosa weg doe, merkt u wel. Deze kleine wetenswaardigheden heeft u alvast: onbetaalbaar.

maart 23rd, 2020 by Jaap de Jong

Een bofkont in ‘t klooster

Ik zit in mijn kloosterkamer en kijk door het raam naar boven. De lucht is strak blauw, rechtsboven kijk ik op het glas-in-lood werk van pater Raymond van Bergen: de verbeelding van verhalen van droefheid & blijdschap. Een schitterende kerk en een schoon voorbeeld van de rooms-katholieke renaissance aan het einde van de negentiende eeuw. De parel van Zwolle.

Een nieuwe week dringt zich op: online-onderwijs geven, het antiquariaat en bolas. Eigenlijk valt hier op ‘t Wasdom alles op zijn plek: toegang bieden tot kennis. Op papier en digitaal. Ik bof maar.

Komende week nieuwe aandacht voor #Elsschottiana, de digitale goudmijn in de applicatie bolas en méér boeken. En vanaf vandaag elke dag een blog van Igor Cornelissen. Straks een verhaal over Rosa Luxemburg: “was soll ich tun?” Ik wens u goeds. Bleib gesund!

maart 12th, 2020 by Vic van de Reijt

Elsschots onvindbare werk in een morsig antiquariaat

Vic van de Reijt (fotograaf Ringel Goslinga)

Met Willem Elsschot kwam ik voor het eerst in aanraking op de middelbare school. Niet via mijn docent Nederlands, die de literatuur liet ophouden bij de Tachtigers, maar via mijn jongere broer en mijn moeder. Mijn broertje zat op de HBS en worstelde zich voor zijn leeslijst door Lijmen-Het Been. Mijn moeder zorgde voor het uittreksel. ‘Dat boek moet jij ook lezen,’ zei mijn moeder, ‘dat gaat over het zakenleven, heel interessant, je vader werkt bij V&D, zo leer je zijn wereld ook kennen.’

Op het gymnasium hadden wij geen verplichte boekenlijst (’jullie lezen toch wel’, dacht de rector), dus ik las voor mijn plezier die geestige en soms onbegrijpelijke roman over Het Wereldtijdschrift, waarin helaas geen sprake was van de heren Vroom en Dreesman, maar Boorman en Laarmans bleken uitstekende vervangers. Tijdens mijn studie Nederlands in Amsterdam maakte ik kennis met de jonge uitgever Kees Aarts, die het virus van het boeken verzamelen op mij overbracht: Van het Reve, W.F. Hermans, de dichters van Barbarber en Gard Sivik, en Elsschot natuurlijk, van wie ik slechts één boek kende, maar van wie een Verzameld werk in één band was uitgegeven, dat sindsdien als onvindbaar gold.

Het duurde een jaar tot ik er een zag liggen, in de etalage van het morsige antiquariaat van mevrouw Jansen in de Spuistraat. Ooit was ik daar binnengestapt en meteen weggekeken, druk als mevrouw Jansen het had met de heren in regenjas die daar vanonder de toonbank pornobladen kwamen kopen. ‘Ben je er alweer? Ik heb niks voor jou,’ zei mevrouw Jansen. Met veel moeite wist ik haar richting etalage te bewegen. ‘Negen gulden en wegwezen!’

Deze zesde druk van het Verzameld werk (de blauwe kartonnen band uit 1963) was het begin van mijn Elsschot-verzameling, die in de loop der jaren verhonderdvoudigd is. Ik heb alles al, in alle drukken tijdens Elsschots leven verschenen, maar blijf bijkopen, steeds mooiere exemplaren. De doubletten gaan nu de deur uit, met een aantal muurbloemen waar ook geen plaats meer voor was – Vic van de Reijt

Naar de collectie

maart 12th, 2020 by Jaap de Jong

Kaas, vuur en water

Een paar maanden geleden kwam ik in contact met Vic van de Reijt, Elsschotkenner en -bezitter. En niet alleen dat, ook een goede gastheer, muziekkenner, voormalig uitgever en wat al niet meer.

Natuurlijk kende ik Willem Elsschot. Het gedicht Het Huwelijk vond ik als jongen fantastisch, vooral de passage over de wetten die het komen tot de daad in de weg staan. Aan “het bewegingloos en zwijgend zitten bij het vuur” ben ik ontkomen. Het “rennen door het vuur en door het water plassen” laat ik nu aan anderen.

Met Kaas had ik weinig. Ik las het op de middelbare school. Het stond mij bij als saai. Wat een vergissing! Onlangs kreeg ik van Vic van de Reijt een collectie boeken ter verkoop aangeboden. Kostbare schatten met veel pracht en praal en stofomslag. Ik las Kaas, een exemplaar met inleiding en was verkocht bij de eerste zin: “Buffon heeft gezegd dat de stijl de mensch zelf is. Bondiger en juister kan het niet. Maar een gevoelsmensch is weinig gebaat met dat slagwoord dat daar staat als een model, om vereeuwigd te worden door een steenkapper. Kan men echter wel met woorden eenig inzicht geven in wat stijl eigenlijk is?” Zuinigheid met woorden, juist vanuit een weten dat woorden moeten raken. Dat is Elsschot. Ik wilde meer weten van Elsschot en las de prachtig uitgegeven biografie van Vic van de Reijt: Wat een vorm, wat een vent, wat een stijl en wat een tijd.

In de komende weken volop aandacht voor Elsschot en andere grootheden uit de collectie van Vic van de Reijt. Vic geeft in een hierop volgend blog de aftrap en vertelt hoe hij tot Elsschot kwam: in een morsig antiquariaat.

De collectie die wij aanbieden is opgesplitst in drie delen. Vanmiddag het eerste deel: een twintigtal boeken van Vestdijk, Elsschot, Reve, Richard Minne (Reve hield zeer van zijn poëzie) en Paul van Ostaijen. Bibliofiele uitgaven, een mooi stel bij elkaar.

We werken aan een catalogus waarin de totale door ons aangeboden collectie VdReijt staat. Blijf in contact, abonneer u op de nieuwsbrief.

Naar de deelcollectie

maart 11th, 2020 by Igor Cornelissen

“Ik ken maar één volk: de mens,” zei Motley

Klop maar op ‘n deur was een van de eerste ‘dikke boeken’ die ik als jongen las. Willard Motley beschrijft het leven van een Italiaanse knaap in de sloppenwijken van Chicago die van kwaad tot erger vervalt. Het ergste is dat hij een politieagent dood schiet. Daarvoor krijgt hij de doodstraf. Motley beschrijft uiterst levendig (als dat woord hier gebruikt kan worden) over de gang van de knaap naar de elektrische stoel en zijn laatste ogenblikken.

Motley was een zwarte schrijver en werd door andere Afro Amerikanen aangevallen. Waarom het leven van een blanke beschreven en niet van iemand uit zijn eigen volk? “Ik ken maar één volk”, antwoordde Motley, “de mens”. Motley had het van een andere kant ook niet makkelijk. De FBI jaagde op hem omdat hij communist was.

Het boek is verfilmd. Alles heel aangrijpend. Ik leerde er wel wat van. Niet alleen dat ik me ver van de criminaliteit moest houden, maar ook dat enige vrijmoedigheid met dames op zich geen kwaad kan.

Méér literatuur.

maart 10th, 2020 by Igor Cornelissen

Man met gleuf onder hoed: Henri Toulouse-Lautrec

Henri Toulouse-Lautrec. Wie kent hem niet? Klein mannetje, misgroeid als een soort veredelde dwerg. Hij was van adelijke afkomst en groeide op in een kasteel. Hij had een ziekte waardoor aan zijn normale romp benen en armen vast zaten die niet mee groeiden.

Henri stortte zich als kunstenaar op Montmartre en daar in de danshuizen en bordelen. De meisjes van plezier mochten hem wel en boden hem hun gunsten aan. Henri tekende en schilderde alles at vast en vooral los zat op een manier die nog niet was vertoond. Zijn affiches voor de Moulin Rouge werden wereldberoemd. Minder bekend is zijn vriendschap met Vincent van Gogh die hij aanried in Arles te gaan wonen vanwege de luchten daar en het (toen) goedkope leven.

Opmerkelijk en vooral prettig aan de levendige biografie van Henri Perruchot is het grote aantal onbekende foto’s van de man die altijd met een stok liep en een hoed droeg. Dat laatste vanwege een gleuf in zijn hoofd die niet dicht wilde gaan. We zien Henri op een boot en daarna te water gaan in zijn nakie in de Baai van Arcachon. Verder veel wulpse, niet of half geklede dames die hij schilderde of wat anders liet doen.

Arme Henri stierf aan de gevolgen van drankgebruik, bovendien leed hij aan syfilis en werd hij voor enige tijd als krankzinnige opgenomen in een psychiatrische inrichting. Zijn ziekte was mogelijk veroorzaakt door inteelt. De adel trouwde in die tijd (nu nog?) graag onder elkaar om de bezittingen niet te laten versnipperen. Toulouse-De Lautrec werd geboren in Albi. Gaat daarheen. Er is een museum over hem. De zon schijnt daar, heb ik me eens laten vertellen door een Frankrijkkenner, altijd. Ook zonder zon kun je er altijd goed eten. Maar dit terzijde.

Méér biografieën.

maart 9th, 2020 by Igor Cornelissen

Speel, zing en dans

Hebt u nog een piano thuis (harmonium of huisorgel mag ook) en kunt u er op spelen? Dan is (als iemand mee wil zingen) Zo de ouden zongen een mooie vulling voor sombere dagen vol regen en mist. De olieman en Hallo Bandoeng staan er in en het onvermijdelijke Ik heb eerbied voor jouw grijze haren. Die olieman en Bandoeng zijn voorgoed verleden tijd, maar grijze haren die emoties oproepen zijn er nog alom.

Samensteller Jacques Klöters heeft er veel verstand van. Cabaret en liedjes zijn zijn vak. Jacques leverde mij eens het adres van een zangeres uit de oude tijd die ik nodig had voor een boek dat ik schreef over een oplichter. Ze was met die man intiem geweest. Toen ik haar belde, schold ze me de huid vol en dreigde met een advocaat als ik haar naam in mijn boek zou noemen. Ik heb het er toch in gezet en de advocaat meldde zich niet. Ook dat geheel terzijde.

Enfin, speel, dans en zing alle dagen van uw ijdel leven. En koop het boek van Klöters of andere muziek voor de sombere dagen. Méér muziekgeschiedenis

maart 8th, 2020 by Igor Cornelissen

Moord en doodslag in Overijssel

Waarom lezen redelijk fatsoenlijke mensen (zoals ik er een meen te zijn) over moord en doodslag. Waarschijnlijk omdat je veilig en er ver vanaf denkt te zijn. hetzelfde met gruwelfilms. Voordeur op slot: Hier kan Dracula niet binnendringen.

Moord en doodslag in West-Overijssel (1946-2006) kocht ik omdat ik dat gebied ken en me zelfs sommige zaken uit de krant herinner. Dat geldt al helemaal de man die zijn vrouw wurgde met een kous. Dat was in Deventer, oktober 1956. In die IJsselstad was ik als gestationeerd als redacteur van de editie Deventer. Er gebeurde nooit iets totdat die moord gebeurde. Ik had iets horen fluisteren over een crime passionelle en had me terdege voorbereid door er literatuur over te lezen. De zaak zou in Zutphen behandeld worden want Deventer had geen rechtbank. De pers stond binnen tien minuten weer op straat. Gesloten deuren. Er zat inderdaad een seksuele kant aan de zaak en de pers werd blijkbaar als minderjarig beschouwd. Een boeiend boek over andere moorden: een molenaar uit Olst en een Heinose zenuwarts die zijn vrouw doodschoot. Over de moord in de Deventer president Steynstraat werd ik helaas niet wijzer.

Bij de moord op de vijftienjarige Maartje Pieck kan ik toevoegen dat zij (verre) familie was van de tekenaars Anton en Henri Pieck. De laatste beschreef ik uitvoerig in mijn boek over vooroorlogse spionnen voor Moskou. Dat laatste geheel terzijde.

maart 7th, 2020 by Igor Cornelissen

Rode wijnvlekken op het kostuum van Van Vriesland

Victor E. van Vriesland was ooit een gezaghebbend criticus. Op de televisie was hij prominent en uiterst beschaafd aanwezig in forums die het volk vertelden wat goed en slecht was. Later vond men hem wat te zoetig. Een beetje ten onrechte want als je zijn stukje tegen Pearl Buck leest die volgens hem ten onrechte de Nobelprijs voor literatuur kreeg, merk je dat Victor scherp kon zijn. Die prijs zou alleen maar vanwege literaire criteria toegekend moeten worden en niet omdat Pearl Buck begrip wilde brengen voor het lijdende Chinese volk. Haar boek This proud heart vond hij ‘onecht, onwaarachtig en slecht’. 

De twee delen Verzameld critisch en essayistisch proza. Onderzoek en vertoog geven een goed overzicht van wat er voor 1958 verscheen, de tijd dat er nog veel boeken werden gelezen. Leuk om te zien wat van Vriesland van Willem Frederik Hermans’ Moedwil en misverstand vond.

Voorzover ik me herinner heb ik Van Vriesland slechts eenmaal gesproken. Dat was op de befaamde kunstenaarssociëteit De Kring in Amsterdam, waar ik geen lid van was, maar werd geïntroduceerd door de 34 jaar oudere aquarelliste Milly van Duivenbode, een charmante dame. Het werd een verhit gesprek met Victor. Waarschijnlijk over politiek. Van Vriesland was wel een beetje links, maar volgens mij (toen) natuurlijk niet links genoeg. In ieder geval belandde de inhoud van mijn glas rode wijn zonder opzet op zijn lichtkleurige, driedelige kostuum. Ik bood mijn excuses aan die hij, minzaam glimlachend vanachter zijn dikke brillenglazen, aanvaardde. Ik drink zelden rode wijn, maar dat terzijde. Victor E. van Vriesland was daar meer bedreven in.

Tijdens de bezetting zat Van Vriesland als jood ondergedoken bij de familie Bouman in de Zwolse Koestraat 18. Ik meen dat hij nog eens een gedicht heeft geschreven over Zwolle met de Peperbus erin, maar dat heb ik nooit kunnen terugvinden. Zo kom je voor alles tijd te kort.

februari 24th, 2020 by Jaap de Jong

“Een vlieger oplatende oom”. Over een onbekende foto van een liefde van Gerard Reve

Vanmorgen een nieuwe zending uit de collectie van Igor Cornelissen doorgenomen, waaronder een fotoboek. Mij treft een foto van een “moord en zelfmoord” op de Keizersgracht in Amsterdam. Rechts bovenin de foto staat in spiegelschrift het adres en de datum van een vermoedelijk tragische geschiedenis: Keizersgracht 722, 19 maart 1943. Verder geen gegeven dan de naam van de fotograaf: A. Lotens en de afbeelding zelf. De foto is afkomstig uit het Amsterdamse Politiearchief, maar er wordt geen enkele context geboden: niet in tekst, niet in noten en niet in de literatuur. Ik tast volledig in het duister. Er moet iets zijn. Dit is geen film, dit is de naakte werkelijkheid van dood, angst en passie. Dit is tragiek in zwart-wit. Moord? Een crime-passionel wellicht, wanhoop toch, maar geen koelbloedige moord als ik de foto bekijk.

Datum, adres en afbeelding zijn genoeg om de details van de geschiedenis te achterhalen. Links op de foto een paar flessen wijn of sterke drank, een Duitse krant. Op de kast staan wat boeken, op een kachel een pan. Zoeken op internet – ik ben daar goed in – en combineren van gegevens leert mij veel. Hier liggen de dode lichamen van Lies (Elize Marianna) Mogendorff (6 februari 1919-18 maart 1943) en Ernst ten Haaf. De laatste was in de jaren dertig docent aan het Vossius, een van de docenten – naast Jacques Presser en D.A.M. Binnendijk – die Reve wèl competent vond. Reve noemt de natuurkundedocent Ernst ten Haaf in Moeder en Zoon abusievelijk Ten Haeff, maar het gaat om Ernst Frederik Carl ten Haaf (3 juli 1889-19 maart 1943) die, na zijn geliefde Liesje – ex-leerlinge van het Vossius – door het hoofd te hebben geschoten, ook zichzelf om het leven brengt. Volgens Reve schoot hij zich door het hoofd. Bij Reve overigens geen letter over de andere dode: Lies Mogendorff, die vanwege haar joodse achtergrond was ondergedoken en, net als Ernst ten Haaf, in het verzet zou zijn geraakt.

Ik denk niet dat Reve de foto kende. Misschien zelfs – ik acht het waarschijnlijk – dat deze foto tot op de dag van vandaag (24 februari 2020) niet eerder in verband is gebracht met Lies Mogendorff en Ernst ten Haaf. De meeste foto’s uit het boek zijn zonder gegevens en/of verwijzingen naar personen. Ten Haaf had zich volgens Reve “als officier onttrekkend en, ondergedoken op het land, in een uitzichtloze liefde met een eveneens ondergedoken jong meisje het spoor totaal bijster gerakend (…) zich voor het hoofd geschoten.”

Gerard Reve vond Ten Haaf niet alleen een competent docent, maar hield van hem en droomde dat hij zijn vader “of een met mij vliegers oplatende oom zoude zijn”. Reve speculeert in Moeder en Zoon dat Ten Haaf “een even formidabele als fel verdrongen homo-erotiek zijn leven heeft verwoest”. Het zou kunnen, ik weet het niet. Reve beschrijft Ten Haaf als “een jongensachtige, joviale, gulle, man, een totaal verscheurd mens weliswaar, maar die niettemin heel levendig en onderhoudend les wist te geven. Zijn werkelijke leven was echter het Nederlandse leger, en zijn schaarse perioden van levensgeluk waren de weken dat hij, als kapitein van de genie, op herhalingsoefeningen ging, teneinde door ‘zijn jongens’ op de handen gedragen te worden, over wie hij nooit uitgepraat geraakte. Een zeer intelligente en gevoelige, maar weerloze padvinder, die het leven in zijn gezin en op de school eigenlijk niet aan kon, en van wie ik, in het geheim hield.”

Van Lies Mogendorff weten we meer. Haar zus Ro, een begaafd tekenares, tekende haar gezicht. Een dromerige vrouw die rechten studeerde en in de oorlog onderdook, maar zich ook wel op een vervalst paspoort door Amsterdam bewoog.

Wat een levens, wat een tragiek.

Later meer over foto en vindplaats.

februari 18th, 2020 by Igor Cornelissen

Links richten

Martin Mooij, socialist en vertaler, was jarenlang de spil van het kunstleven in Rotterdam. Hij bedacht Poetry International waar ieder jaar dichters uit binnen- en buitenland kwamen voordragen. Simon Vinkenoog, Remco Campert en Jules Deelder waren vaste gasten.

Mooij bedacht dat het aardig zou zijn een herdruk te maken van Links Richten, een initiatief van de communistische partij om arbeiders de cultuur in te trekken. Proletkult heette dat in de Sovjetunie. Van Links Richten verschenen tussen 1932 en 1933 twaalf nummers. Het blad ging, voorspelbaar, aan politieke conflicten te gronde. Veel medewerkers maakten later naam: Maurits Dekker, Nico Rost, Gerard Vanter, Jef Last en Frans Goedhart. In zijn Nawoord is Martin Mooij optimistisch: Links Richten, beweerde hij, had bewezen dat arbeiders heel goed tot zelfexpressie waren te brengen.

februari 17th, 2020 by Jaap de Jong

Boeken die “ek gaan nie verkoop nie”: Elisabeth Eybers en oom Manie

Bladerend door de Versamelde gedigte van Elisabeth Eybers stuit ik op Dagdroom. Het bestaan van Eybers werd mij ooit geopenbaard door een Chileense vrijheidstrijdster die mij over haar (en over de Dagdroom) schreef. Ik, onbesneden Filistijn, had toen – ergens einde jaren tachtig – nooit van haar gehoord.

De vader van Elisabeth Eybers, John Henry Eybers (1879-1962), was predikant in de Nederduits Gereformeerde kerk. Tijdens zijn preken nam hij haar meer in met de ogen, dan met het gesproken woord, zoals ze schrijft: “die lang, regop gestalte in die swart toga, die asketiese profiel en die gevoelige skraal hande wat langsaam en liefderik oor die blaaie van die oop Boek beweeg het.”

Oom Manie nam haar met het woord in. Oom Manie, koster en dorpsouderling, moet haast wel onder hen zijn die Eybers “die woordensoet het oor die tong gesprei.” In haar herinneringen schrijft Eybers over hem en zijn preken die ze als een “klein vakansie in die kerk” ervoer. Hij sprak, zo schrijft ze, over het alledaagse en bracht het zo dat “selfs die ‘hemelske’ (…) nooit te ver [was] van die ‘aardske’ nie, ons het sy beeldryke taal geniet.

Ik moest aan die herinnering denken terwijl ik de dagdroom herlas. Op de achtergrond het Kol Nidrei van Max Bruch dat ook al een en al droeve ingetogenheid is.

Dagdroom

Ek het jou brief gelees terwyl ek eet, /die woordesoet het oor my tong gesprei. /Verby die aardse brood het ek gestaar / dwarsdeur die bome in die raam, dwarsdeur die grys / wolkeplafon tot in die paradys / waar alles lig en helder is. En net / soos in die Bybel was ons naak en het ek, aangekla, gou hom die skuld gegee / wat skemerig sis. . . toe ek opeens gewaar / dat ek my halfgerookte sigaret / aftik in my twee-derde koppie tee.

De Versamelde gedichte van Eybers behoort tot de collectie die “ek gaan nie verkoop nie.” Voorlopig niet.

februari 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Indonesische overpeinzingen

Soetan Sjahrir was in 1945 de eerste premier van de Republiek Indonesië. In de jaren dertig studeerde hij enkele jaren in Leiden. Hij huurde er een kamer bij de (toen) links-socialist Sal Tas. Sjahrir ging er met de vrouw van Tas vandoor, wat de vriendschap tussen hen niet verstoorde.

Sjahrir werd na 1945 vrij snel naar het tweede plan verstoten. Hij kon niet opschieten met Soekarno die de volksmassa  beter wist te bespelen. In zijn scherpzinnige Indonesische Overpeinzingen schreef Sjahrir in 1936 al dat hij bij de andere nationalisten niet zo goed lag omdat hij leed aan Hollandophie. Hij was beïnvloed door de westerse cultuur. De scherpzinnige en belezen Sjahrir kruist in zijn overpeinzingen de degens met prof. Johan Huizinga. Nog altijd de moeite van het (her)lezen waard.

Méér autobiografieën