in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong
mei 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Zonder trommels of trompetten. De bestsellers van Ab Visser

Ab Visser was een veelschrijver, maar geen slechte. Hij had een nare ziekte waardoor hij steeds krommer ging lopen. Op het laatst hing de neus bijna op zijn navel. Het belemmerde niet het succes bij de vrouwen, noch belette het hem de borrel. Hij wist zich uitstekend te vermaken op feesten. Eén ding bleef hem wel hinderen: Zijn werk verkocht voor geen meter. Jarenlang wachtte hij op ‘het sellertje’. Lag het aan zijn titels? Iemand vroeg hem of er in zijn nieuwe boek trommels of trompetten voorkwamen. Dat moest Visser ontkennen. ‘Dan gaat je nieuwe boek Zonder trommels of trompetten heten.’ Ook dat verkocht niet.

Zijn vriend Hans van Straten zorgde ervoor dat hij in Het Vrije Volk misdaadromans  mocht recenseren. Een paar jaar later deed hij dat in De Telegraaf. Het verhaal gaat dat Visser, gezeten achter een glaasje op het terras van Americain in Amsterdam,  werd aangesproken door een dame die zei dat ze zijn recensies in De Telegraaf altijd met groot plezier las. ‘Mevrouw, ik praat niet met mensen die De Telegraaf lezen,’ zou Visser haar in onvervalst Gronings geantwoord hebben.

In zijn boek Onder de gordel, Erotiek en geweld in de misdaadroman gaat ie niet alleen van jetje (of is het Jetje?). Visser analyseert scherp en legt uit waarom Simenon (Maigret) zo goed valt bij de gemiddelde burger. Commissaris Maigret is niet alleen een gemoedelijke vaderfiguur, hij had zelf ook iets dubbelhartigs, anders zou hij die gedeformeerde misdadigers nooit zo goed kunnen beschrijven. Dat klopt als een bus. En ook Simenon had in de oorlog bedenkelijke sympathieën.

En verder krijgen Havank, John Le Carre en Ian Fleming ook allemaal een beurt.  Binnenkort in onze winkel.

mei 4th, 2020 by Jaap de Jong

Kafka en de enge poort

Ik droomde vannacht dat ik in een verhaal van Kafka was verdwaald. Een wachter vertelde mij dat de dag aanbrak, maar ook de nacht. Het was een lucide droom die mij benauwde. Ik had minder adem dan zonder dromen en dat is al niet veel.

Het was een miezerige, regenachtige ochtend met zwevende slierten grijze mist. Eerst dacht ik dat die slierten witte wieven waren. Ze schonken geen aandacht aan mij en dat kon ik nauwelijks verkroppen. Het zullen daarom waarschijnlijk wel slierten zijn geweest. Geen witte wieven. Ja, slierten dus. Ik ging door een tunnel. Aan het einde zou er licht zijn, zo was mij verteld. En heus, in de verte zag ik flakkerend licht van een lantaarn. Niet het daglicht dat mij was toegezegd. Zo’n zes, misschien zeven meter achter de lantaarn rezen drie poorten op met hetzelfde opschrift. “Velen zijn geroepen”. Bij het lezen van die tekst geraakte ik in een lichte paniek. Althans, het had iets weg van angst. In mijn wakend leven noem ik zoiets een existentiële crisis. Zover wil ik toch niet gaan. In mijn droom had ik alleen wat maagpijn. Lichtzinnig.

Op zondag ben ik een thuislezer en gisteravond las ik Voor de wet van Kafka. In dat verhaal is er maar één poort met een strenge wachter die je – zo meende ik gisteravond – moest verschalken wilde je niet voor eeuwig het bos te worden ingestuurd. Je moet wel iets leren van de Grote Literatuur. Maar nu had ik te maken met maar liefst drie poorten en geen enkel begin of iets in handen om de wachters te verbidden mij toe te laten. En die wachters gaven geen krimp. Plots wakker en een tong van leer. Er is honger. Er is dorst.

Bovendien ook nog een paar dingen die wachten: een antiquariaat, een webapplicatie en online lessen. Dromen hebben tenminste iets dat op diepzinnigheid lijkt. maar het Echte Leven begint nu. Opgestaan, eten en verhaaltje schrijven. Eén poort door, een hele enge, en de wachter is spoorloos. Wachter, wachter wat is er van de nacht?

Vandaag geen Kafka in de aanbieding. Wel een boek van Martin van Amerongen met de titel Don Juan hield niet van vrouwen: controversen en contrasten. Een bundel essays, onder meer over Kafka.

En nog veel meer andere Grote Literatuur. Om van te leren, zeg maar: essays

april 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Zonder Goebbels geen Hitler

De Tsechische historicus Zbyněk Anthony Bohuslav Zeman vluchtte in 1948 naar Engeland. Het was het jaar dat Tsjechoslowakije communistisch werd. Zeman beschreef nauwkeurig hoe de nazi-propaganda begon en na 1933 overheersend werd met Goebbels, minister van Propaganda, als de grote én deskundige man.

Zonder Goebbels geen Hitler, is mijn stelling, maar Zeman zou het geschreven kunnen hebben, Onder Goebbels leiding werden de kranten, de radio en de filmindustrie gemodelleerd en gemoderniseerd. Dat Goebbels tot het laatst in zijn waanideeën bleef geloven weet iedereen. In de film Der Untergang wordt dat nog eens sterk geaccentueerd.

Peter Rijser, medewerker van het NIOD, schreef een uitvoerig hoofdstuk over de nazi-propaganda in Nederland, even giftig, maar met minder succes. Rijser laat zien wat de Nederlandse radio op drie dagen in 1941, 1942 en 1943 aan propaganda uitzond. Er werd, geen wonder, meer op de Engelse zender afgestemd. Ik was op bezoek op het NIOD kort nadat daar het bericht doorkwam dat de nogal stille Rijser een einde aan zijn leven had gemaakt. Niemand wist toen waarom. Er was grote verslagenheid. Hij werd als medewerker zeer gewaardeerd.

april 16th, 2020 by Igor Cornelissen

Bouwmeester Berlage

Toen Amsterdam, al weer jaren geleden, uitgeroepen werd tot de Culturele hoofdstad van Europa, vond mijn vriend Eduard Groeneveld, bibliothecaris van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie dat hoogst misplaatst. Hij woonde er en vond het De Pisbak van Europa geworden. Niet alleen dromden hasjrokers en bierdrinkers uit alle delen van het continent er tesamen, ook lag zijn woning midden in de zone waar krakers een verwoestende slag toebrachten aan wonigen en het gezag.

Is het er nu nog erger? In ieder geval is er veel bewaard van wat eens mooi was en wat bleef. Ik doel op de architectonische nalatenschap van de grote H. P. Berlage en niet alleen zijn Beurs. Overal in de hoofdstad staan zijn merktekens in Een bouwmeester in beeld mooi gefotografeerd. Berlage bouwde niet alleen in Amsterdam, maar ook in Bilthoven, Laren, Groningen en Den Haag. Berlage was links, tegen het communisme aan, ging in 1929 zelfs mee op reis naar het nieuwe Rusland en schreef in het kritiekloze boek dat Henri Pieck over die tocht schreef een soort loflied in rijmvorm. Zijn bouwkunst heeft daar gelukkig niets mee te maken. Berlage, een man waar Nederland trots op mag zijn.

Nog meer Berlage in het boek van Marien van der Heijden. Wie nooit in de Burcht van Berlage is geweest, heeft een belangrijk Amsterdams monument gemist. Het was vele jaren het hoofdkwartier van de eens machtige Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond.

De leider van de ANDB, Henri Polak, had voor de joodse arbeiders het gezag wat voordien de rabbijnen hadden gehad. De ANDB bestaat niet meer. De joodse diamantbewerkers werden voor het overgrote deel vermoord. Nu is het een vakbondsmuseum. Ik gaf er eens een lezing en was onder de indruk van het vakmanschap van H.P. Berlage, vele jaren de toonaangevende architect van de hoofdstad.

Méér architectuur

april 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Twee tuinen

Salamon Dembitzer (1888-1964) werd geboren in Krakow en woonde in Berlijn, Lissabon, Amsterdam en Amerika. Vaak op de vlucht zoals voor een jood niet ongebruikelijk. In Nederland schreef hij voor het Algemeen Handelsblad en Het Volk. Dat was in de jaren van de Eerste Wereldoorlog, toen van zijn hand ook meerdere boeken verschenen.

De Twee Tuinen (ca. 1919) werd uit het Jiddisch vertaald door Arnold Saalborn, neerlandicus en zoon van een Russische jood. Saalborn was een geliefd leraar. Onder zijn leerlingen waren Jacques Gans, Willem Frederik Hermans, de verzetsstrijdster Reina Prinsen Geerligs en de dit jaar overleden Eli Asser. Arnold Saalborn zelf zou al een studie waard zijn. Na zijn pensioen ging hij nog les geven op de Kees Boeke School.

Niet minder interessant is de geschiedenis van de uitgeverij Cohen en Zonen die veel uitgaf, maar financieel nooit erg hoog scoorde. Uiteindelijk wint het boek van de centen.

Méér judaica

april 14th, 2020 by Igor Cornelissen

Een ambitieuze onderwijzer

Om iets te bereiken moet je wel over enige ambitie beschikken. Johannes van Loon was onderwijzer toen hij rechten ging studeren. Hij kende armoede, kwam niet uit een welgesteld gezin.

Van Loon bleek te veel ambitie te  hebben want hij liet zich door de Duitsers in 1941 benoemen tot president van de Hoge Raad nadat zijn voorganger mr. Visser als jood was ontslagen. Loe de Jong schrijft in zijn geschiedwerk dat Van Loon fout was, maar minder fout dan anderen. Een bewijs, zegt biograaf Herman Hermans, dat De Jong wel degelijk grijstinten erkende.

Hermans leverde een gedegen stukje werk af. Prettig voor hem was dat hij de medewerking kreeg van de zoons van Van Loon. Johannes van Loon vestigde zich na zijn veroordeling in 1948 op de Nederlandse Antillen. Was hij alleen maar naïef geweest zoals zijn vrienden beweerden?

Meer geschiedenis en/of biografieën

april 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Japie Groenteman, de kleine orgelman op het Waterlooplein

Jazz spelen is, ik spreek uit ervaring, opwindend, ernaar luisteren een waar genoegen. Er over lezen is goed te doen mits je er een jazzplaat bij opzet. Maar gedichten lezen over die muziek? Het is te doen, als de kunstenaar de goede toon weet te raken. Jan Hanlo kon het: “Het was half vijf ’s morgens in April / ik liep, en floot de St. Louis Blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze…” En dan verder zelf maar lezen.

Leuk vond ik ook Richter Roegholt in zijn gedicht Amsterdam. Hij laat daarin de kleine orgelman voortleven die in de jazztent Casablanca op de Zeedijk grote blonde meiden om en over zich heen liet dansen. Ik heb dat zelf gezien in de jaren vijftig.

Die orgelman, dat kleine kereltje, heette Japie Groenteman en iedereen kende hem want hij ging heel brutaal met zijn centenbakje langs de mensen op terrassen en in café’s. Ik zag hem eens bij Hoppe op het Spui binnenkomen. Hij vroeg eigenlijk niet om geld, maar eiste het op. Een ware nazaat van generatie schnorrers die je de gelegenheid gaven een goede daad te verrichten door iets van je rijkdom af te staan. Die schnorrers bestaan al lang niet meer en het is ook al weer lang geleden dat ik Japie in Amsterdam zag met zijn brutale, maar toch innemende koppie. Ik deed altijd een munt in zijn bakje. Het kwam ook omdat ik van die Amsterdamse draaiorgelmuziek hield. Als ik ‘s morgens een wals hoorde, kon de dag niet meer stuk. Nog bedankt Japie en Richter.

Verder zijn in de bundel natuurlijk Martin Schouten, Simon Vinkenoog, Jan Kal en Lucebert present, Kal hield van Frank Sinatra en Lucebert wist echt veel van jazz en had een uitgebreide collectie platen zoals ik eens zelf kon constateren.

Méér poëzie en/of meer muziekgeschiedenis

april 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Versteend Joods leven in Amsterdam

Verhalen uit joods Amsterdam geeft een mooi beeld van hoe het was met verhalen van Grete Weil, Maurits Dekker, Sal Santen, Marga Minco, Bernard Canter (ik vond na jaren zoeken een eerste druk van zijn boek Kalverstraat) en bovenal Multatuli die zijn Woutertje Pieterse door de Jodenbuurt liet dwalen.

Martin van Amerongen schreef een boeiende inleiding waarin hij van de valse romantiek, opgeroepen door een VVV-folder, niets overlaat. Joods Amsterdam bestaat niet meer. Er lopen nog wat individuele joden rond die handel drijven, in kranten schrijven of een rol in het culturele leven spelen. ‘Zij vormen een marginaal verschijnsel in een stad die niet of nauwelijks een joods gezicht meer heeft. Het joodse leven – economisch, maatschappelijk, artistiek – is versteend tot gedenkplaten, musea, bruggen en monumenten.’

Het is een harde constatering die ik niet anders dan bevestigen kan. In 1947 logeerde ik op de Zwanenburgwal in een totaal verwoeste jodenbuurt. Jaren later kwam ik er te wonen om te werken bij kranten. Inderdaad restjes van een vrijwel vermoord volk. En van die monumenten komen er alleen nog maar bij, inclusief de bijbehorende bonjes en debatten. Er zijn altijd bewogen toespraken. Dat dan weer wel.

Meer judaica.

april 11th, 2020 by Jaap de Jong

De Gave Gods

Lezen in De Gave Gods, daarna bezig met een kunstwerk waarin woorden van Rainer Maria Rilke, Max Stirner en het Vita Brevis van Hippocrates samen komen. Dan drie bestellingen (#Elsschottiana) wegbrengen en wandelen met de geliefde.

Een rondje om de Oude Stad. Het is niet druk. Bij Klein Wezenland, aan de oostzijde van de stad, loopt iemand in een lang middeleeuws gewaad met een puntmuts. Hij draagt een gasmasker en grabbelt in vuilnisbakken. Een maanzieke man met een doodskop. Een surrealistisch schouwspel. Hij externaliseert de angst en leent haar zijn gezicht. Fascineert het vanwege de herkenning?

Overal in de stad hangen posters met de tekst Heb lief, een halfhartige tekst in een lelijk lettertype. Gebiedend ook. De woorden doen mij denken aan de veel betere, want vollediger, tekst van Augustinus: heb lief en doe wat je wilt. Een willen gestuurd door liefde. Maar heb lief is lekker kort. Enfin, een stad krijgt de kunst die zij verdient.

Neen dan liever Boeijen. Heb mij lief, bevrij mij en maak mij zo licht van alle lusten los. Nu terug naar De Gave Gods.

april 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Van Saulus tot Paulus

Zonder Paulus zouden de volgelingen van de joodse Jezus het nooit tot een wereldgodsdienst hebben kunnen brengen. Daarover zijn christenen en niet-gelovigen het, denk ik, wel eens.

Wie was die man die man die zich, van het ene op het andere moment, bekeerde en daarna een ijveraar werd? Een ‘ruim’ mens aan de ene kant, want besnijden hoefde niet meer van hem en de strenge voedingsvoorschriften lapte hij ook aan zijn laars. Maar ten opzichte van vrouwen was hij minder ruimhartig. Ik heb wel eens gehoord dat sommige christenen hem daarom niet zo ‘mogen’.

Schonfield begint met een indringend beeld van Tarsus, de stad waar Paulus werd geboren. Een stad met een zeer gemengde bevolking destijds. Broeinest of broedplaats? De joodse geleerde Hugh J. Schonfield noemde zich een Nazarener wat betekent dat hij meende dat Jezus inderdaad de Messias was zoals die in het Oude Testament wordt voorspeld.

Méér theologie of méér godsdienstwetenschappen

april 10th, 2020 by Igor Cornelissen

De kwasten van Harrie Gerritz

In de Librije in Zwolle was heel lang geleden de synagoge en veel later had Jonnie Boer er zijn restaurant. Maar daartussen was het expositieruimte en ik heb er ook jazzconcerten gehoord. Ik zag er de drummer Art Taylor spelen en ik zag ook hoe de guitarist Jimmy Raney die avond niet kon spelen. Hij was er wel, maar zat ladderzat op een trap. De koffie die ik voor hem haalde, hielp niet.

In 1977 had de schilder Harrie Gerritz er een solo-expositie. Mathilde Visser die eerder voor het communistische dagblad De Waarheid werkte en daarna voor het Financieele Dagblad vond zijn werk zeer de moeite waard. Zij schreef de inleiding voor de brochure die bij de tentoonstelling hoorde. Ze besloot aldus: “Het uiterlijke aspekt van de wereld waarin hij leeft, is alleen aanleiding voor het zichtbaar maken van een diepere belevenis die door middel van een dichterlijke ordening tot ons overkomt.’

Mevrouw Visser (Tilly voor vrienden) was zeer gecharmeerd van het werk van Harrie Gerritz wiens kwasten overigens tot op de dag van vandaag niet rusten.

Meer kunst.

april 9th, 2020 by Igor Cornelissen

De oplichter

Toen ik bezig was aan mijn biografie van de Pools-joodse oplichter Siegried Wreszynski, maakte Hans Gruijters mij attent op de wetenschappelijke studie De oplichter van de forensische psychiater (en hoogleraar) dr. Machiel Zeegers. Ik had er veel aan.

Aanzien, rijkdom, avontuur, liefde. Het zijn geen geringe zaken die de oplichter ons te bieden heeft. De oplichter is de magiër, die ons het land van belofte voortovert. Hij treedt in onze wereld binnen als degene die onze wensdromen vervult”, zo las ik bij Zeegers.

Dat alles was mijn hoofdfiguur Wreszynski op het lijf geschreven. Zeegers analyseert in zijn dissertatie (uit 1959) een aantal gevallen. Eenmaal met bedrog begonnen, kunnen de meeste oplichters niet meer stoppen. Het is een verslaving. Wie kranten leest, weet dat oplichters onuitroeibaar zijn. Ook steeds vindingrijker in de digitale wereld.

Ik raakte bevriend met Hans Gruijters. We bezochten de horeca in Zwolle en in Lelystad waar hij burgemeester was. Maar dat laatste geheel terzijde.

Meer psychiatrie

april 8th, 2020 by Igor Cornelissen

De rozen van Adenauer

Konrad Adenauer (1876-1967) The Father of the New Germany noemen klinkt wat zoetsappig, maar het is verdedigbaar. Duitsland was na 1945 een verzameling ruïnes. Nu is het opnieuw de sterkste staat in Europa. Adenauer, een conservatieve heer met een lange ervaring als burgemeester van Keulen, bleek het meest geschikt om Duitsland weer aanzien te geven. Conservatief. Niet echt fout, al onderschatte hij rondom 1933 de duivelse plannen van Hitler. Met het verzet had hij weinig tot niets te maken, maar hij was afstandelijk genoeg om door de nazi’s als burgemeester afgezet te worden. Enkele keren zat hij kort vast.

Als felle anti-communist kon hij het goed vinden met de bezetters in het Westen. Een zware klus kreeg hij in 1955 toen hij in Moskou de laatste tienduizend Duitse krijgsgevangenen los moest zien te krijgen. Gelukkig voor hem zaten de Russen ook met die ontevreden schurken in hun maag. Het was niet zo dat Adenauer die voormalige soldaten omarmde, maar het waren wel Duitse onderdanen. Pas op de laatste dag van zijn verblijf in Moskou kwam het tot een vergelijk toen Nicolai Boelganin uitriep: Je kunt ze allemaal van ons krijgen. Ook zonder verdrag. Adenauer kreeg later nog kritiek dat hij Boelganin op zijn woord had geloofd.

Adenauer zei eens dat verdragen net zijn als jonge meisjes en rozen: ze verwelken snel. Of hij verstand van jonge meisjes had is de vraag. In ieder geval wel van rozen. Hij had een enorme rozentuin. Er is tegengesproken dat hij ze kweekte, hij verzorgde ze. Die tuin is nog steeds te bezichtigen in Rhöndorf aan de Rijn waar hij op hoge leeftijd overleed.

Meer biografieën

april 7th, 2020 by Igor Cornelissen

De wereld die er nooit kwam

Toen De Slegte nog een pand had op de Melkmarkt in Zwolle stond er op de afdeling Criminaliteit een boek over het anarchisme te koop. Niet helemaal onbegrijpelijk, want de anarchisten rond 1900 werden vaak vereenzelvigd met bommengooiers en aanslagplegers. Dat was spannend.

Niet alleen in Rusland (de tsaren en hun secundanten waren gewilde objecten), maar ook in Frankrijk en Amerika waren er aanslagen. De Italiaanse anarchisten Nicola Sacco en Bartholomeo Vanzetti kwamen er, waarschijnlijk onterecht, voor op de elektrische stoel. Dat kon niemand verhinderen, ook al tekenden Albert Einstein, Anatole France en Madame Curie petities en klonken er overal protesten.

Hedendaagse anarchisten worden niet graag herinnerd aan dat gewelddadige verleden. Ik schrijf zelf een rubriek in het anarchistische blad De As, maar abonnees en de auteurs gooien nooit iets dat kan ontploffen, althans ik heb tot nog toe niets gehoord. Sacco en Vanzetti komen in De wereld die er nooit kwam niet voor. Domela Nieuwenhuis, de bekendste anarchist in Nederland, evenmin. Toch is het een enorm dik boek geworden.

Alex Butterworth behandelt niet alleen de grote theoretici als Peter Kropotkin en Elisée Reclus, maar laat ook de cafés waar de plannen werden beraamd herleven. Een mooi hoofdstuk over complotten. En uiteraard uitgebreid de Commune van Parijs. Kropotkin had al snel door dat Lenin en zijn aanhangers niet deugden. Hij noemde ze ‘rovers en gangsters’. Het debat daarover gaat door. In Parijs bezocht ik ooit het politiemuseum. Een beleving! Niet alleen alle kostuums van vroegere commissarissen en hun sabels, maar ook krantenverslagen van de jacht op moorddadige anarchisten. Ik herinner me zelfs de opgezette koppen van de onthoofde daders in potten met sterk water. Of bedriegt mijn geheugen mij nu?

Méér geschiedenis

maart 28th, 2020 by Jaap de Jong

“Gott ist ein lauter Nichts”. Over Aurelius Augustinus en Angelus Silesius

De Nicolaikerk is zonder enige twijfel de mooiste kerk van Utrecht: daar treffen jeugd, dood, waanzin en ouderdom tezamen. En ook de vroomheid. Het zijn niet mijn woorden, maar die van de Utrechtse schrijfster Clare Lennart. In een gedenksteen gebeiteld en met regelmaat met graffiti besmeurd door hen die voor het eerst of opnieuw in “de ochtend van het leven” zijn aangeland.

Het was op een zondagmorgen ergens aan het einde van de jaren negentig dat ik daar stond: in het portaal van de Utrechtse Nicolaikerk. Alleen. Binnen zong de gemeente: “Ach, dat ik u zo laat herkende/Gij die de schoonheid zelve zijt/dat ik mij eer niet tot U wende.” Het gemeentegezang (lied 430), die ik in het portaal beluisterde, trof mij als de bliksem – niet zozeer door een goddelijke interventie (hoewel ik die niet wil uitsluiten) – maar omdat ik het lied direct herkende als een geslaagde interpretatie van een passage uit de Belijdenissen. Deze thriller van Augustinus is één van de mooiste teksten – zo niet de mooiste – uit de wereldliteratuur.

Ik was nog geen twintig toen ik de Belijdenissen voor het eerst in handen kreeg. Ik spuug niet in de bron waaruit ik dronk, maar kwam er wel achter dat Augustinus er meer geprezen dan gelezen werd. Een genie in taal en in denken, maar zo anders dan ik gewend was. Bij die lezing realiseerde ik mij dat het huis van de Heer inmiddels grondig was verbouwd en dat gold zeker voor het huis waar ik was groot gegroeid; dat was verworden tot een lemen nachthut in de komkommerhof. Ik las de Belijdenissen een kwart eeuw later nog eens. Bij die laatste lezing was ik mij wat meer bewust van het retorisch talent van Augustinus: zijn vaardigheid om in een uiterst persoonlijke stijl de emoties te bespelen. Hij bespeelt niet één toets, maar zet alle registers van de taal open. Ja, hij legt de Schoonheid zelve op tafel, proeft haar en maakt van de lezer een voyeur van een bijkans erotisch spel. Nee, niet bijkans, hij gaat vol op het orgel:

“Te laat heb ik U lief gekregen, o Schoonheid, die zo oud en toch zo nieuw bent, te laat heb ik U lief gekregen! En zie, U waart in mijn binnenste en ik was buiten en daar zocht ik U, en ik, die wanstaltig was, stortte mij op de schone dingen, die U gemaakt hebt. U waart met mij, maar ik was niet bij U. Die dingen hielden mij ver van U, die niet zouden zijn, als ze niet waren in U. U hebt mij genood en geroepen en mijn doofheid verbroken, U hebt geblonken en geschitterd en mijn blindheid verdreven, U hebt liefelijke geur verspreid en ik snoof die in en hijg nu naar U, ik heb geproefd en nu honger en dorst ik, U hebt mij aangeraakt en ik ben ontbrand naar Uw vrede.”

Angelus Silesius, een pseudoniem voor Johan Scheffler (1624-1677) maakte van de passage uit boek X van Belijdenissen een gedicht dat later door Ad den Besten is vertaald. Het werd als lied 430 in het Liedboek van de kerken opgenomen.

Silesius studeerde in de jaren veertig medicijnen in Leiden en promoveerde later in Padua. In Leiden verkeerde hij onder sympathisanten van Jacob Böhme. Ik vond indertijd helaas geen sluitend bewijs van zijn inschrijving als student in Leiden. Angelus Silesius is beroemd geworden door zijn Cherubinischer Wandersman, een verzameling van puntdichten, die blijk geven van zijn pantheïstisch mystieke inslag. Hij was verwant aan Meister Eckhart en de richting die ook wel bekend is als de negatieve theologie.

Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier; je mehr du nach ihm greifst, je mehr entwird er dir.

Ik geef de voorkeur aan het Duitse origineel. Het is duidelijk zijn dat Silesius God als de onbenoembare, de niet grijpbare voorstelt. Hoe meer je hem tracht te (be)grijpen, hoe meer hij je ontgaat. Ik gebruik het soms als ik per ongeluk in gesprek raak met dogmatische scherpslijpers, met Jehova-getuigen of andere getuigenden. Maar liever niet.

Van Silesius is ook het puntdicht dat mij ieder jaar met kerst in gedachten springt: Ook al is Jezus duizendmaal in Bethlehem geboren, maar niet in u, dan bent u nog verloren. Tja, ik kom er maar niet af. Overigens schreef Silesius later een dogmatisch werk waarvan je in slaap valt. Je ziet dat vaker bij dichters. Gorter die de Ethica vertaalt en later in dogmatisch marxisme verzandt. Je bronnen dichtgooien. Moet je niet doen.

Mijn eigen exemplaar van Belijdenissen is van Alexander Sizoo (1889-1961), classicus en hoogleraar aan de VU die naast Augustinus ook de Institutie van Calvijn vertaalde. Dat exemplaar verkoop ik niet, evenmin als de Cherubinischer Wandersman oder geistreiche Sinn- und Schlussreime. De vertaling van de Belijdenissen van Gerard Wijdeveld is te koop, evenals ander geestrijk werk. Met Salomo zeg ik: koop de waarheid en verkoop ze niet.

Meer theologie

maart 28th, 2020 by Igor Cornelissen

De Harzreis – in het voetspoor van Heinrich Heine

Anderhalve eeuw nadat de Duitse dichter Heinrich Heine door de Harz wandelde, deed mijn betreurde collega en vriend Martin van Amerongen dat met zijn vrouw Anneke Woudstra opnieuw. Anneke vertaalde Die Harzreise en Martin speurde naar de steden, pleinen en herbergen waar Heine verbleef.

De Harz lag in 1974 deels in West en voor een ander deel in Oost Duitsland, toen nog de Deutsche Demokratische Republik geheten wat hier en daar gepeperde commentaren opleverde. Gedenkstenen voor de dichter? Niet of nauwelijks. Zoveel jaren na zijn dood werd Heine nog altijd gehaat. Iets dat Van Amerongen een hele prestatie noemde. De tekst verscheen eerder in Vrij Nederland, twee weken achter elkaar op drie volle pagina’s. Krantenformaat destijds hetgeen Martin deed uitroepen; VN is verreweg het beste weekblad in het Nederlandse taalgebied.

Van Amerongen  werd op de redactie overigens door menig collega verweten dat hij altijd over dooie Duitse dichters schreef. Wat deze autodidact met zijn enorme productie allemaal bij elkaar schreef verdient echter de hoogste achting. Waar haalde hij toch de tijd vandaan?

Merkwaardig was die reis door de natuur overigens wel, want Martin was een stadsmens pur sang. Toen hij eens door Anneke werd meegetroond naar het vakantieoord Fredeshiem in de buurt van Steenwijk had hij na twee dagen al een dwingende reden bedacht om spoorslags terug te keren naar zijn geliefde Amsterdam.

maart 27th, 2020 by Igor Cornelissen

George Melly: de vissende performer

Toen ik lang geleden met de Kerst in Londen was, kondigde de omroeper op de TV aan dat er die avond toch iets open was: een jazzclub waar George Melly zou zingen met de Feetwarmers. Binnen een kwartier zitten mijn vriendin en ik in een taxi naar Ronnie Scott’s jazzclub. Wat een avond. Warmte en vreugde!

Melly zong oude bekende en bijna vergeten jazzliedjes uit de jaren twintig en dertig. Ik heb hem daarna vaker gehoord. Een performer met een gevarieerd leven. Als groot kenner van het surrealisme schreef hij kunstkritieken. Voor de Observer recenseerde hij TV en films. Zijn seksleven was gevarieerd. Biseksueel en daarna toch vooral hetero. In ieder geval diverse kinderen uit verschillende huwelijken. Hij hield van vissen en verkocht twee dure schilderijen om een molen te kunnen kopen in de buurt van een rivier in Wales. Hij ging met zingen door tot het bittere einde. Longkanker en andere ziektes. Voor de Britse TV zag ik hem kort voor zijn dood met een ooglap voor. Ook was hij vrijwel stokdoof geworden. Het leek hem niet te deren.

Ik ontmoette Melly eens in de Amsterdamse Damstraat waar hij voor een antiekwinkel naar binnen stond te kijken. Toen ik hem aansprak en vertelde dat ik jazzliefhebber was en hem in Londen had gehoord, stelde hij direct voor een biertje te gaan drinken. Ik had geen tijd, want was op weg naar een belangrijke spoedvergadering van de redactie van Vrij Nederland. Waar die vergadering over ging, ben ik al lang vergeten. Ik had natuurlijk dat biertje moeten gaan drinken. In Rum bum vertelt hij over zijn tijd aan het einde van de oorlog toen hij dienst nam bij de marine. Het werd geen succes en hij werd nog bijna voor de krijgsraad gedaagd omdat hij een anarchistisch blaadje las.

Meer muziekgeschiedenis

maart 26th, 2020 by Igor Cornelissen

De zonden der vaderen

Nu de discussie over Amsterdam (opnieuw?) start als geschonden stad wegens de slavenhandel is de serieuze studie Sins of the Fathers uiterst welkom. Amsterdam komt er maar een paar keer in voor, maar wel wordt Michiel De Ruyter genoemd (en glorieus afgebeeld) die enige tijd in Elmira, het fort op de Westkust van Afrika vertoefde.

Veel aandacht ook voor Willem Bosman die twee slavenopstanden neersloeg. Deze studie over de Atlantische slavenhandelaars tussen 1441 en 1807 gaat natuurlijk niet alleen over Hollanders. De Portugezen wilden ook graag geld verdienen. Mooi geïllustreerd.

maart 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Igor Cornelissen over “het domste dat bestaat”

Das Ende Israels? kwam uit in 1975. In zekere zin kan het vraagteken ruim veertig jaar later dus met Nein worden beantwoord. Het zeer kritische en anti-zionistische boek werd geschreven door Nathan Weinstock.

Alles wat de Israëliërs de Palestijnen aandeden, waar of niet waar, staat er in, met een rijke verwijzingen middels voetnoten naar andere literatuur. Nathan Weinstock (Antwerpen, 1939) is vertaler Hebreeuws en jiddisch. In de tijd dat hij dit boek schreef was hij lid van een Matzpén, een trotskistische splintergroepering.

Das Ende Iraels? is zware en geen vrolijke kost. Ik denk dat geschiedenis per definitie niet vrolijk is. Zware kritiek op Israël dus. En ook nog door een jood. Zoals mijn vriendin Anke me leerde: Alles bestaat. 

Ergens bewust geen kennis van willen nemen, is het domste dat bestaat.

maart 24th, 2020 by Igor Cornelissen

“Van nature vreesachtig”

Dr. J. W. Berkelbach van der Sprenkel gold als een geliefd docent. Hij was leraar in Gorinchem en Haarlem. Hij wilde graag een breed publiek bereiken. Daarvoor was Oranje en de vestiging van de Nederlandse staat  uiterst geschikt. Onderhoudend vertelt hij over de Inneming van Den Briel waarbij niet wordt verdoezeld dat de watergeuzen het plunderen veelvuldig beoefenden.

Oranje was, besluit Van der Sprenkel, van nature vreesachtig, maar eindigde moedig. Het boek dat in 1946 verscheen bevat een bibliografie. Er is sindsdien veel geschreven over de Oranjes en het ontstaan van wat we nu Nederland noemen.

Dit boek van Berkelbach van der Sprenkel blijft een mooie introductie.

Meer biografieën