in 't Wasdom

antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
januari 27th, 2021 by Igor Cornelissen

De levenssappigste onder de Tachtigers: Lodewijk van Deyssel

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) beschikte over een “naar clowneske neigende deftigheid.” De karakterisering komt van zijn biograaf Harry G.M. Prick (1925-2006) die overigens ook oog had voor zijn humor en veelzijdigheid. Van Deyssel gold als Tachtiger en was zonder meer een van de meest ‘levenssappigste’ onder hen. De man was op een goede manier nieuwsgierig.

Als scholier schreef Prick een brief naar de oude van Deyssel. Dat was in 1942. Het viel de bejaarde schrijver op dat deze jonge knaap zijn werk zo doorgrond had. Toen ze enkele jaren later kennis maakten benoemde Van Deyssel hem tot zijn biograaf. Prick zou onbeperkt toegang krijgen tot Van Deyssels correspondentie en dagboekaantekeningen. Hetgeen geschiedde. Het zou onterecht zijn te schrijven dat de neerlandicus Prick daar zijn hele leven mee heeft gevuld. Prick heeft over ook veel over anderen geschreven (Gerrit Komrij en Boudewijn Buch bijvoorbeeld), maar hij bleef toch voornamelijk verslingerd aan Van Deyssel, de man met dat enorme hoofd en dat altijd maar loensende oog.

Toen de Gedenkschriften verschenen, oordeelde de anonieme recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant: ‘Als geheel zijn de Gedenkschriften een boek dat Van Deyssel ten voeten uitgeeft, in al zijn vele literaire gedaantes. De minutieuze en liefdevolle beschrijver, de heel persoonlijke, intuïtieve kunstbeschouwer, de merkwaardige wijsgeer, de lyricus, de humorist.’

Kom daar nu eens om, is men geneigd te verzuchten.

Sommigen vonden dat Prick wel wat ruim was in zijn belangstelling. Hij schreef in diverse tijdschriften deelstudies over de door hem bewonderde. In een van die bijdragen noteerde hij hoe vaak daags Van Deyssel onaneerde. Lang dus voordat Reve zulks aan het papier toevertrouwde. Het nazaat van Van Deyssel was ontsteld. Die zelfbevlekking deed volgens Prick niets af aan de grootheid van de schrijver. En bovendien: Van Deyssel had hem toch gezegd dat hij alles mocht gebruiken wat er in zijn handschrift boven water kwam? De meester bleef een Meister, ook “ohne Beschränkung.”


Prick, Harry G.M. (red.) (1962). Gedenkschriften voor de eerste maal volledig naar het handschrift [2 dln.]. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Harry G.M. Prick. Met krantenknipsels. Uit de collectie Igor Cornelissen. Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 26th, 2021 by Igor Cornelissen

“Als beste vrienden voortgaan”: Friedericy en “ons Indië”

Herman Jan Friedericy (1900-1962) was in de jaren dertig bestuursambtenaar op Celebes. Het waren, vertelde hij terugblikkend, zijn mooiste jaren. Hij interesseerde zich werkelijk voor de inheemse cultuur. Friedericy was een aanhanger van de zogenaamde ethische politiek die propageerde dat ons Indië uiteindelijk zelfstandig zou moeten worden en dat we daarna als ‘beste vrienden’ zouden voortgaan. Een deel van het bedrijfsleven zag de winsten van hun plantages en andere handel in gevaar komen en richtte in Utrecht een eigen faculteit voor Indische Zaken op, door de tegenstanders spottend de oliefaculteit genoemd.

Friedericy kwam in 1930 terug om in Leiden Indologie te gaan studeren. Daar promoveerde hij op een Makassaars onderwerp. Hij keerde terug naar Celebes en zat drie jaar onder de Japanners gevangen om daarna in diplomatieke dienst te komen. In Washington moest hij de Nederlandse regeringspolitiek verdedigen wat hem zeer moeilijk viel. Hij was tegen de koloniale oorlogen. Maar als diplomaat wordt je niet geacht een eigen mening te hebben.

Toen Friedericy verhalen en romans ging publiceren roemden critici hem om zijn stijl als rasverteller. Toen Gerard Reve hem in Edinburgh tijdens een schrijverscongres ontmoette oogde hij wat vermoeid, maar gelukkig nog net niet cynisch. Het was een man waar Reve niet goed wijs uit kon worden.

In De raadsman blikt de schrijver terug op zijn tijd in Indonesië. Het slot speelt zich af in de bar van het restaurant op het vliegveld in San Francisco. Twee vriendelijke Indonesische studenten en een Nederlander raken in gesprek. De Nederlander denkt aan zijn jaren als bestuursambtenaar op Makassar. En aan de woorden van zijn leraar in Leiden die had gezegd dat als Indonesië onafhankelijk werd de beide landen vrienden moesten blijven. Het was allemaal anders gelopen.

Friedericy moet, zoals Greetje Heemskerk in De Parelduiker schreef, een buitengewoon innemende en erudiete man zijn geweest.


Friedericy, H.J. (1958). De raadsman. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., vergeeld papier. Gebonden, 125 pp., 1e druk. Met verklarende woordenlijst. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 14,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 25th, 2021 by Igor Cornelissen

De waarheid van de schilder en de beeldhouwster

Albert Carel Willink (1900-1983) was Amsterdammer van geboorte en overleed in die stad. Hij heeft er enkele 19e eeuwse huizen geschilderd die er mysterieus uitzien. Dat werd uiteindelijk zijn stijl, magisch realistisch genoemd. Willink vond dat onzin, want er was niets magisch in zijn werk. Magie deed aan sprookjes denken.

Hij was al op jeugdige leeftijd in Berlijn aan het werk. Dat was in de jaren twintig de stad waar ‘alles’ gebeurde. Hij ontmoette er George Grosz die de decadentie niet uitvond, maar wel in krasse tekeningen uitbeeldde. Daarna kwam Willink in Parijs in aanraking met weer nieuwe schilderstijlen. Hij omarmde het abstracte, daarna het kubisme. Zijn vriend Du Perron ried hem aan het te zoeken in het realisme. Na 1945 leek er geen plaats meer voor alles wat herkenbaar was. De Cobrabeweging eiste en kreeg alle ruimte. Willink verzette zich daartegen in geschrifte met De schilderkunst in een kritiek stadium dat in 1950 voor het eerst verscheen.

Willink was niet gesteld op luxe. Hij had geen rijbewijs en reed dus nooit in patserige auto’s wat veel mensen doen die het ‘gemaakt’ hebben. Maar hij hield wel van lekker eten en kwam graag in de Oesterbar waar als hij binnenkwam de paling al op het vuur werd gezet. Maar dat was pas veel later toen hij als schilder naam had gemaakt.

Bekendheid kwam er ook door zijn derde vrouw, Mathilde die zich om de haverklap kledij gemaakt door Fong Leng liet aanmeten. Deze extravagante Zeeuwse was een willige prooi voor de roddelpers. Oude schilder met veel jongere vrouw. Zulke berichten willen mensen wel lezen die zelf een reproductie van het hertje van Van Meegeren aan de muur hebben hangen. Mathilde werd dood op haar bed gevonden met een schot door haar linkeroor terwijl ze rechtshandig was. Er was sprake van cocaïne en duistere geheimen die ze op schrift bewaarde in een kastje. Over Mathilde is een aantal boeken verschenen. Maar toen ze stierf was Willink al heel gelukkig met de beeldhouwster Sylvia Quiël, ook al veel jonger. Volgens de dagboekaantekeningen van Sylvia kwamen de schilder en de beeldhouwster tot allerhande frivole dingen.

Bij hun huwelijk waren Simon Carmiggelt en diens vrouw aanwezig. Willink was inmiddels erkend als groot schilder en om die dure kleding van Mathilde te kunnen bekostigen was hij, op aanvraag, portretschilder. Hij zag het als een deel van zijn ambacht en schaamde er zich niet voor. Hij liet zijn opdrachtgevers flink betalen. Zijn klanten kwamen uit de zakenwereld of het waren politici. Meestal liberaal of katholiek. Een uitnodiging om de vroegere koningin Wilhelmina te schilderen, wees hij af toen hij de ruimte had gezien waar zijn schilderij zou komen te hangen. Een gele muur. Willink had de pest aan geel.

In Amsterdam is een Willink pleintje met een standbeeld van de schilder gemaakt door zijn laatste geliefde.


Mulder, J. (1983). Willinks waarheid en het dagboek van Sylvia. Baarn: De Fontein. I.g.st.. Paperback, 240 pp., met illustraties (fotokatern (in zw./w). Voorwoord van Simon Carmiggelt en recensies. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 24th, 2021 by Igor Cornelissen

Sporen van J.B. Charles: wat nagelschraapsel en andere herinneringen

Volg het spoor terug was één van de boeken die ik, nog lang geen twintig, las. Ouders van een vriend bezaten het. Ik mocht het lenen. Het droeg bij tot mijn ‘politieke bewustwording’. J.B. Charles pakte al die oplichters en bedriegers stevig aan: de hele en half collaborateurs. Hij slachtte postuum Colijn en de naoorlogse hele of halve fascisten (zo noemde hij ze) die zich druk maakten over de Nederlandse vlag die op Koninginnedag vijf minuten te laat werd binnengehaald. Zijn latere werk – Van het kleine koude front – maakte niet minder indruk.

Charles, de schrijversnaam van de criminoloog W.H. Nagel (1910-1983) kwam uit Groningen. School met de bijbel, twijfels, opstandig, het verzet in… Het is een lijn die meer Groningers trokken die zich in de literaire wereld een plaats veroverden.  Zijn vrienden uit het verzet bleef hij steunen. Toen uitgever Bert Bakker wegens rijden onder invloed de cel in moest, vond Nagel een weg om hem te helpen. Ze hadden beiden in het verzet gezeten en Bakker had ongetwijfeld last van een oorlogstrauma. Dat Bakker voor de oorlog al stevig dronk en dat Nagel en hij elkaar tijdens de oorlog nog helemaal niet kenden, deed niets af aan de inzet van Nagel.

Toen Aat Veldhoen (1934-2018) in de zomer van 1964 problemen kreeg met justitie omdat hij zinnenprikkelende prenten verkocht, schreef Charles een verontwaardigd artikel in Ratio: Wat heb ik aan mijn zinnen als ze niet meer geprikkeld mogen worden? Hij was en werd geen huiskamergeleerde.

Charles/Nagel was een omstreden man. Daar deed hij zelf veel aan. Hij stelde zich op als iemand van Derde Weg. Iets tussen Moskou en Washington in. Hij verzette zich tegen de Duitse herbewapening en de legering van een Duits troepenonderdeel in Budel (Brabant).  Een foto waarop hij, wadend door de sneeuw, met de joodse schrijfster Marga Minco voorop in de stoet loopt die tegen Budel protesteert, maakte diepe indruk op mij

In zijn vakgebied was hij uiterst deskundig wat, uiteraard kritiek opriep van andere deskundigen. Zijn dissertatie Criminaliteit in Oss (Het Wasdom had het ooit te koop; het was snel verkocht) geldt nog altijd als een belangrijk werk.

Hij raakte nogal wat sympathie kwijt toen hij in de aanval ging tegen het zionisme en de buitenlandse politiek van Israël. Hij noemde minister Golda Meir een typische Duitse jodin, wat ze niet was. Wel joods, maar ze kwam uit Kiev en was in Amerika opgegroeid.

Belangrijker dan Nagels (of Charles’) misstappen is dat zijn biografie de lezer van nu veel leert over het Nederland van voor, tijdens en na de oorlog. Ik word in de tekst een keer genoemd, maar in het personenregister is mijn naam niet te vinden. Als je een boek zo zou recenseren dan deugt er geen biografie. Mijn collega bij Vrij Nederland Martin van Amerongen komt er vaker in voor, Hij haalde Charles bij VN binnen als columnist. Ik vond het niet zo’n succes. Dat kwam niet omdat Charles onvermoeibaar uithaalde tegen onze minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, maar omdat hij hem steeds ’een hese hufter’ bleef noemen. Anderen vonden dat ongetwijfeld wel erg geestig.


Schuyt, K. (2010). Het spoor terug. J.B. Charles | W.H. Nagel | 1910-1983. Amsterdam: Balans. I.z.g.st.. Paperback, 640 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie, noten, verantwoording illustraties en register. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Igor Cornelissen

Henry Miller en Brenda Gabrielle Venus in De Hete Brij

De Amerikaanse schrijver Henry Miller (1891-1980) gold bij velen, en dat jaren lang, als een vies mannetje die zijn tijd doorbracht met naaien en zuipen. Bovendien schepte hij er behagen in daar zijn boeken mee te vullen. En wat was er waar van al die verhalen? Hij mengde fantasie en werkelijkheid door elkaar.

Toen Henry Miller in 1930 in Parijs aankwam had hij weinig geld en nauwelijks contacten. Hij bracht zijn tijd inderdaad anders door dan de Parijzenaar die op tijd naar zijn werk moest en hooguit tijd had voor een enkel vluggertje. Millers Parijse jaren leek daarentegen te bestaan uit alléén maar vluggertjes. Maar dat is slechts de halve waarheid. Hij schreef ook over zijn grote liefde voor Parijs en Frankrijk.

In Amerika was je als schrijver alleen maar wat als je beroemd was en bestsellers produceerde. Een onbekende schrijver gold er als een anarchist en dus oplichter. In Parijs maakte hij mee dat de eigenaresse van een restaurant hem krediet verleende, omdat hij vertelde schrijver te zijn. En met iedere jonge kellner kon je praten over Dostojevski. Dat laatste lijkt me een beetje overdreven. Maar misschien was dat in de jaren dertig (een beetje) waar. Bij Miller wist je het nooit.

Een van de kameraden waarmee hij optrok was de in Hongarije geboren, maar in Frankrijk opgegroeide Gilberte Brassaï (1899-1984) die naam zou maken als fotograaf van het Parijse nachtleven. Ook ontmoette hij vele malen Picasso. Hij fotografeerde de Spaanse kunstenaar en schreef over hem.  Toen Miller in Amerika terug was, werden zijn boeken daar verboden. Ze gingen tegen iedere moraal in. Uiteindelijk werd het verbod in 1964 opgeheven en dat droeg volgens kenners bij tot de seksuele revolutie. Een revolutie die verdere gaten sloeg in de door het christendom gepreekte zedenleer.

In zijn laatste jaren, Miller werd 89 jaar, ontwikkelde de nu gevierde schrijver een correspondentie met de zestig jaar jongere Brenda Gabrielle Venus (1947), die alles in huis had om een veelgevraagd model te zijn. Was er méér tussen hen? In ieder geval schreef Miller haar meer dan duizend brieven. Ze schreef terug en sleepte hem door een tijd van aftakeling heen.

Toen ik in mijn Zwolse stamcafé De Hete Brij eens een boek van Miller met foto’s van Brenda liet circuleren, ontstond er een wat broeierige sfeer. Brenda wie? Waar woonde ze?  Kon ze niet met ons in Zwolle het glas komen heffen? Niet alleen wekte Brenda in Zwolle lusten op, ook vond men die Miller een geweldige kerel. Hij had het toch maar voor elkaar gekregen.


Brassai, Gilberte (2011). Henry Miller. The Paris Years. I.z.g.st., hardcover met stofomslag. 224 pp., met illustraties, met bibliografie. € 19.95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 23rd, 2021 by Jaap de Jong

Henry Miller revisited – uit de dagaantekeningen

Uit de dagaantekeningen van 2019.10.23, 14.15 – “Ik houd van al wat stroomt”

De kreeftskeerling (met vouwtje op pagina 229)

“Ik houd van al wat stroomt” zei de grote blinde dichter John Milton eens. Ik moest er aan denken toen ik zojuist het boek van Henry Miller uit de kast pakte om te beschrijven. Op pagina 229 zit een vouwtje en dat is bijzonder. Ik hou mijn boeken meestal netjes. Zelden maak ik een vouw om iets te onthouden. Dat doen barbaren. Er moest iets bijzonders zijn dat mij tot vouwen heeft gebracht op die dertiende september 1997. Ik geef toe: mij is niets barbaars vreemd.

“Ik houd van al wat stroomt” en zo goed als ik weet u dat er nu iets bijzonder komt, iets smerigs, iets bijzonder smerigs, een enorme lavastroom aan gedachten, een kolkende lavastroom. En dat is ook zo. Ik citeer, maar hou het kort. Moet door met beschrijven. Nog twintig boeken te gaan. Miller was een existentialist en een vitalistische melancholicus of allebei en dat is te merken:

Ik houd van al wat stroomt: rivieren, riolen, lava, sperma, bloed, gal, woorden, zinnen. Ik houd van het vruchtwater als het uit de zak loopt, ik houd van de nier met haar pijnlijke stenen, haar niersteen en wat al niet meer; ik houd van de urine die er kokend heet uitkomt en de gono die eindeloos blijft lopen; ik houd van hysterische woorden en zinnen die als dysenterie steeds blijven doorgaan en alle zieke beelden van de ziel weerspiegelen.

Ik houd van al wat stroomt. Ook van de dynamiek in een boekenkast. Het boek van Henry Miller De kreeftskeerkring (Amsterdam, De Bezige Bij, 1963) was hier te koop, maar staat te pronken in andermans boekenkast. Het was een gaaf exemplaar.

Alleen zit er op pagina 229 een vouwtje.

januari 22nd, 2021 by Igor Cornelissen

Zuinigheid met vlijt. Over de “Navo-professor” Ger Harmsen

Ger Harmsen (1922-2005) werd kort na de oorlog lid van de CPN. Hij was toen nog jong, leek een veelbelovend kameraad en werd al snel leider van de afdeling politieke scholing. Naar eigen zeggen was hij “streng en veeleisend”. Dat ging een aantal jaren goed. Hij wist alles van Lenin en Stalin, maar in de communistische partij ging er altijd wel iets mis. Hij werd afgezet en gedegradeerd. Hij bleek toch ietwat te zelfstandig. Toch bleef Harmsen lid en colporteerde met De Waarheid waarin hij op dat moment werd berispt. Na de opstand in Hongarije bedankte hij voor de partij en werd een dissident, maar wel een communistische dissident. Vervolgens PSP en daarna PvdA. “‘een snelle afloop der wateren”, fluistert de kompaan zacht, maar toch hoorbaar.

Zijn belangstelling voor de communistische beweging behield hij, evenals de liefde en kennis voor planten. Mossen vooral. Bovendien bleef hij volksdansen. Dat laatste vond ik raar. Die andere hobbies niet, want die deelde ik. Nadat Harmsen zijn lidmaatschap van de CPN had opgezegd, waarmee hij “een klassevijand en verrader” werd, zette hij zich aan zijn proefschrift. Hij ondervroeg oudere kameraden over hun ervaringen in de jeugdbeweging. Die stonden hem tijdens zijn CPN-tijd welwillend te woord. Bij de verschijning van zijn dissertatie hadden ze spijt als de haren op hun hoofd, maar dat was inmiddels kaal geworden.

Blauwe en rode jeugd is een uitputtende studie over de jongeren die geheelonthouder en/of socialist/communist/anarchist waren. We komen interessante types tegen zoals de schilder Melle Oldeboerrigter, het latere kamerlid Gerda Brautigam, de geheim agent Daan Goulooze en de christen-socialist  professor Willem Banning. Een weerkerend thema is dat de moederpartij vrijwel altijd de baas wil spelen over de jongeren. Anarchisten hebben geen partij boven zich. Hooguit raadgevers.

De leukste uitspraak is van de latere PvdA minister Ko Suurhoff die in zijn jongere jaren voor het NVV (de socialistische vakbond) het jeugdwerk voor zijn rekening nam De ouderen moesten bij hun opvoeding geheel afzien van hun eigen voorkeur. Het was helemaal niet socialistischer om op een mandoline dan op een mondharmonica te spelen ‘het is alleen maar welluidender’. Inmiddels is dat oordeel ook al weer gewijzigd bij de hedendaagse musicerenden die het vooral bij flink versterkte gitaren en trommels houden. Misschien dat op Urk nog mandoline wordt gespeeld?

Harmsen kreeg veel aandacht voor zijn proefschrift zoals hij voor zijn vele latere boeken en studies de recensenten wist te interesseren. Hij promoveerde bij Jacques Presser en werd hoogleraar in Groningen. Door de jonge communisten (studerend of niet) werd hij voor “NAVO-professor” uitgemaakt. Dat knipte hij allemaal uit De Waarheid en telde het aantal beschuldigingen. Dat kwam dan weer in zijn memoires Herfsttijloos. Toen ik dat boek voor Vrij Nederland besprak, leek het me dat hij mensen en artikelen inventariseerde als de zeldzame mossen die hij in Ierland of Schotland vond.

Ik bezocht hem een enkele maal in zijn Friese boerderij. Te eten kreeg je er niet. Met veel gezucht en pijnlijk vertrokken gezicht kwam er een kop thee. Het leek wel of Ger in de crisisjaren of in die van de zuinige CPN was blijven steken. Veel humor had hij niet. Wel werklust en een niet te stuiten verzamelwoede van boeken, brochures en brieven van oud-strijders.


Harmsen, G.J. (1961). Blauwe en rode jeugd. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940. Assen: Van Gorcum & Comp./H.J. Prakke. Softcover, binnenwerk prima, omslag matig (maar herstelbaar). Disseratie. Met penaantekeningen Igor Cornelissen. Paperback, XIV, 496 pp., 1e druk. Met bibliografie en noten. € 17,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Jaap de Jong

Étienne Gilson, specialist middeleeuwse filosofie & kenner van Descartes

Étienne Henri Gilson (1884–1978) is geen onbekende onder de filosofen. Gilson studeerde o.m. bij Lucien Lévy-Bruhl, Henri Bergson en Emile Durkheim en promoveerde in 1913 op Descartes. Hij staat onder specialisten ook bekend om zijn grondige kennis van de thomistische traditie. Op aanraden van zijn leermeester Lévy-Bruhl verdiepte hij zich na zijn promotie op de doorwerking van de middeleeuwse filosofie op het denken van Descartes. Er kwam evenwel een oorlog tussen.

Gilson diende als tweede luitenant en onderscheidde zich door dapper gedrag. Tijdens en na de oorlog ontwikkelde hij zich tot specialist op het terrein van de Middeleeuwse filosofie. Hij gaf colleges in Lille, Straatsburg, Parijs en de Sorbonne en richtte in 1929 in Toronto een onderzoeksinsitituut op dat nog steeds bekend staat als het Pontifical Institute of Mediaeval Studies. In 1946 werd Gilson verkozen als lid van de Académie Française en later genomineerd voor de Nobelprijs in de literatuur.

Gilson schreef ook een studie over de geschiedenis van Héloïse en Abélard, de lovestory waarmee de enthousiaste docent Leen Dorsman  zijn toehoorders (eind jaren tachtig) verleidde om zich massaal als student geschiedenis in te schrijven aan de Utrechtse Universiteit. Ik was onder hen en kreeg nooit spijt van mijn keuze. Als het even minder gaat en Prediker geen soelaas biedt lees ik Het verhaal van mijn rampspoed van Petrus Abélard en weet ik dat het niets is waarover ik mij zorgen maak. Dat boek en de brieven van Abelard aan en van Héloïse houd ik dus nog even ;-). Ik vermoed dat Gilson in zijn studie Héloïse et Abélard (Paris, 1938) een filosofisch licht op Petrus Abélard laat schijnen (universaliënstrijd). Het gefrutsel met Héloïse zal bij hem hooguit een klein terzijde zijn of als lichte verpozing op een gouden schaal worden aangeboden. Of vergis ik mij?

Het Pontifical Institute in Toronto gaf in 1982 in elk geval een bibliografie uit over het werk van Gilson. Dat overzicht van teksten van en over Gilson werd samengesteld door Margaret McGrath en was natuurlijk erg belangrijk voor de biografie die Laurence K. Shook twee jaar later schreef.

Wij zijn door toeval dat ons toeviel in staat om de bibliografie, de (zeldzame) biografie en een selectie van het werk van Etienne Gilson te leveren. Niet meer leverbaar.


McGrath, Margaret (1982). Etienne Gilson. A Bibliography - Une Bibliographie. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies. Paperback, 124 pp. Goed. 

Shook, Laurence K. (1984). Etienne Gilson. Toronto, Pontifical Institute of Mediaeval Studies, 1984. I.g.st., binnenwerk uitstekend. Vochtvlekken op voor- en achterplat (foto). Zeer zeldzaam. Gebonden in linnen, 412 pp., met illustraties, met bibliografie en noten.  

Gilson, Etienne (1950). Le Philosophe et La Theologie. Paris: Arthème Fayard.  I.g.st., licht verkleurd. Paperback, 259 pp.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 20th, 2021 by Igor Cornelissen

Klinkenberg en de Prins

Ere wie ere toekomt is een stelregel waarmee met name de Nederlandse journalistiek het vaak erg moeilijk mee heeft. Maar het was de communistische journalist Wim Klinkenberg (1923-1995) die als eerste de levensloop van prins Bernhard onder de loep legde. En met die loep keek hij scherp.

Van de verhalen van eerdere biografen, de gereformeerde Jan Waterink (1890-1966) (hoogleraar pedagogiek aan de VU) en de Amerikaanse (ingehuurde?) journalist Alden R. Hatch (1898-1975), bleef weinig over. Waterink zag steeds Gods hand en zegen in de weer bij Bernhards loopbaan en zijn zogenaamd toevallige sprookjeshuwelijk vol wederzijdse liefde met prinses Juliana. En ook Hatch had zaken weggelaten of goedgepraat.

Klinkenberg was de eerste die het nationaal-socialistische milieu waarin Bernhard groot werd – en begon te bloeien – ontrafelde. Klinkenbergs boek werd bij verschijning nauwelijks serieus genomen. Dat kwam ook wel doordat Klinkenberg, als hij iets niet direct bewijzen kon, vaak met formulering kwam als “…het zou wel vreemd zijn als niet…” En zijn veelvuldig gebruik van het woordje ‘waarschijnlijk’.

Wim Klinkenberg zag Bernhard niet als een pion maar als een Hoofdspeler in het machtsspel van grote concerns dat het kapitalisme wilde laten blijven zegevieren. Een Amerikaanse zetbaas van het hoogste niveau en buitengewoon gevaarlijk. Anderen zagen en zien hem als een handige speler die alleen uit was op zijn eigen bed genoegens en dus bijkomend geld dat nodig is ‘reis en verblijf’.

Klinkenberg was niet alleen communist, hij was ook een stalinist in die zin dat hij de nederlaag van Hitler grotendeels aan de geniale militaire leiding van de bloeddorstige dictator toeschreef. Misstappen en wandaden van Stalin waren hooguit kleine fouten die aan zijn grootheid niet afdeden. Van dissidenten moest hij niets hebben. Tenminste niet als ze Russisch waren. Dat ze het land werden uitgezet of achter de tralies kwamen, deerde hem niet. Door deze vreemde vasthoudendheid maakte Klinkenberg het zichzelf moeilijk.

Ik heb Klinkenberg redelijk goed gekend en in zijn boek (althans in een herziene herdruk) citeert hij enkele malen met instemming mijn artikelen uit Vrij Nederland. In zijn verering van Stalin en zijn overtuiging dat de Sovjet Unie de ware vredesmacht was, kon ik niet meegaan. Daarom bleef er een afstand tussen ons bestaan. Maar toen ik het een paar jaar geleden noodzakelijk vond om op te komen voor een gedeeltelijk eerherstel van deze nijvere journalist als eerste Bernhard vorser die archieven doorploegde toen vrijwel iedereen de prins een toffe vent vond, nam het NRC Handelsblad mijn ingezonden brief niet op.


Klinkenberg, W. (1979). Prins Bernhard. Een politieke biografie. Amsterdam: Onze Tijd. Redelijk, met gebruikssporen (potloodaantekeningen van Igor Cornelissen). Paperback, 555 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. biografieën.
januari 18th, 2021 by Igor Cornelissen

Nobelprijswinnaar Rudyard Kipling, dichter en verteller van verhalen

Vandaag, 18 januari 2021, is het precies 85 jaar geleden dat Rudyard Kipling (1865-1936) overleed. Hij ontving in 1907 de Nobelprijs voor de literatuur. Hij was de eerste Brit die deze onderscheiding ontving.  De Nobelprijs zegt niet alles en zorgt zeker niet voor eeuwige roem, want veel van de winnaars zijn vandaag totaal vergeten. Toch schreef hij het prachtige – maar nu vergeten (?) gedicht If dat je alles vertelt over leiderschap. De Engelsen verkozen het in 1995 tot hun favoriete gedicht. Het bevat het advies van een vader aan zijn dochter of zoon. Er staan ware dingen in, zegt de kompaan. Het verhaal The Man who would be King (1975) van Kipling is verfilmd, met Michael Caine en Sean Connery. Kipling kon wel wat.

Rudyard Kipling werd in Bombay geboren, stad in het grote rijk dat vanuit Londen werd bestuurd, zoals een groot deel van de wereld. Kipling was een bewonderaar en verdediger van dat grote rijk. Hij ging er van uit dat East is East and West is West (de zin is van hem) zo hoorde en ook dat dat White Man’s Burden iets van God gegeven was. Een ouderwetse man die koloniale verhoudingen verheerlijkte. Wij gingen in de landen beschaving brengen.

Kipling werd bij zijn leven al bestreden door progressieve schrijvers en politici. Orwell noemde hem een ‘bijna fascist”.  Baden Powell, de stichter van de Boy Scouts, werd beïnvloed door zijn boeken en Mowgli speelde een grote rol in de opbouw van de padvinders. Dat alles wist ik niet toen ik in Zwolle kort na de oorlog welp werd en daarna verkenner. Wie Rudyard Kipling was, kwam ik pas veel later te weten en van Baden Powell wist ik alleen dat hij op hoge leeftijd nog in korte broek liep en een verkennershoed droeg. Dat hij in Zuid Afrika tegen de Boeren had gevochten, hoorde ik later en nog weer veel later las ik ergens dat zelfs Kipling realist kon zijn. Hij begreep uiteindelijk dat het koloniale Britse Rijk er niet voor eeuwig kon zijn. Ondanks alles.

De ooit gepensioneerde dienaren, militair of burger, die in een kolonie hadden gediend kwam ik bij mijn eerste reis naar Engeland nog wel tegen, net zoals soldaten die bij ‘Arnheim’ hadden gevochten. Die zijn nu allemaal dood. De Britten vechten nu onder elkaar over Brussel en de Brexit. Tamelijk onoverzichtelijk.

In de tijd van Kipling ging het over duidelijker zaken: hoe houden we stand in Afghanistan en India. Maar je maakt nog altijd een goede beurt in Engeland als je tenminste weet wie Rudyard Kipling was. Maar niet bij iedereen.

In zijn verhalenbundel Soldiers Tree gebruikte Kipling (al dan niet in samenspraak met zijn uitgever Macmillan (London, 1899) een swastika ofwel het hakenkruis als frontispies. Hetzelfde teken staat op het voorplat van dit boek, maar dan eenachtste naar links gedraaid, zoals dat bij de latere (neo-)nazi’s gebruikelijk was. Het swastikateken had voordien de betekenis van vrede, voorspoed, geluk of zelfs heiligheid. 

Die draai naar links (met eenachtste) is ongebruikelijk bij het hindoeïsme en boeddhisme, waar de swastika eveneens te vinden is. De swastika wordt ook aangetroffen op de vloeren van enkele oude synagogen zoals die in Ein Gedi op de linkeroever van de Dode Zee. Die kun je nu met voeten treden.


Kipling, Rudyard (1899). Soldiers Three. The Story of the Gadsbys in Black & White. London: Macmillan & Co. I.z.g.st., hoekjes voor- en achtplat ietwat gebogen (normale tijdschade). Gebonden in rood linnen met afbeelding van de swastika (in goud) op voorplat (in 3D) en frontispies, gouden belettering van de rugtitel. € 19,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 18th, 2021 by Igor Cornelissen

Over de broodschrijver Walter Scott en ‘a vulgar cockney poetaster”

Walter Scott (1771-1832) was een beroemde Schotse schrijver die verhalen en sagen uit zijn geboorteland uitwerkte tot romans. Hij is wat wijdlopig in zijn boeken waarvan Waverley de bekendste werd. Scott had eerder naam gemaakt als dichter.

Waverly was zijn eersteling in het genre van de historische roman. Ook The Bride of Lammermoor droeg bij aan zijn grote populariteit. Hij beïnvloedde een reeks van grote schrijvers onder wie Victor Hugo en Aleksandr Poesjkin. Er is Scott wel verweten dat hij veel zijpaden bewandelde en te uitvoerig was. Een broodschrijver noemde iemand hem smalend.

Misschien moest hij wel – schrijven voor zijn brood – want hij kwam op latere leeftijd in de schulden te zitten. Ik meen dat het Renate Rubinstein was die het voor dat soort schrijvers opnam. Wat is er overigens tegen om voor je brood te schrijven? Men spreekt toch ook niet van broodloodgieter of broodelektricien?

Scott’s Invanhoe is, in Amerika en Engeland, verfilmd. Niet één keer, maar tot vier keer toe. De Britse televisieserie Ivanhoe is ook op de Nederlandse buis vertoond. Het schijnt dat men dan de stem van Willy Alberti kan horen. Ivanhoe is de dappere Saks die het opneemt tegen onbetrouwbare Normandiërs.

Los van dit alles, maar toch nauw verbonden met het voorgaande: wij bieden hierbij de bekende, maar zeldzame biografie van Walter Scott aan. Geschreven en uitgegeven door zijn schoonzoon John Gibson Lockhart. Lockhart werd erom geroemd en geprezen. L. staat er overigens ook om bekend dat hij de dichter John Keats toevoegde dat hij “a vulgar cockney poetaster” zou zijn, een ‘wappie’ dus in het land der dichters. Dit alles terzijde uiteraard.


Scott, Walter (1837-1838). Memoirs of the Life of Sir Walter Scott [in three volumes, later completed by the (scarce) fourth vol.]. By J.G. Lockhart, his son-in-law and literary executor. Paris: Galignani and Co. Good copy, bound in contemporary 1/2 black leather over marbled boards. Gilt-blocked leather labels to spines with gilt-crossed bands. Bands and the edges slighly rubbed by time (specially 3th vol., see photo). Ex Libris 'GvR - Deo Non Fortuna'. € 210,00 (incl. costs for shipping and package within Europe). Interested, contact us.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 17th, 2021 by Igor Cornelissen

Samuel Sarphati, minnaar van mensen

In Amsterdam vernoemde men een straat en een park naar Samuel Sarphati (1813-1866), maar toen Bottenheim zijn boekje in het voorjaar van 1945 schreef was er al een ‘jongere generatie’ die de man met die Portugees joodse naam niet kon plaatsen. Afgezien dan dat het toen de tijd niet was zich met dit soort zaken bezig te houden.

Samuel Sarphati, zoon van een tabakshandelaar, ging na zijn medicijnenstudie als huisarts werken in Amsterdam. Hij werd geconfronteerd met de armen, paupers vaak. Acht procent van de inwoners huisde in kelders. De stad stonk. Sarphati greep in. Het schijnt dat het woord ‘onmogelijk’ niet in zijn woordenboek voorkwam. Hij nam het initiatief voor een abattoir en stichtte een broodfabriek. Het eindproduct kostte bij hem beduidend minder dan dat van de andere fabrikanten. Hij produceerde gezond brood.

Dat van dat brood, zal men nu ook vergeten zijn, maar wat nog recht overeind staat is het glorieuze Amstel Hotel dat zijn initiatief was. Er logeerden koningen en oliesjeiks. Ik heb er eens thee gedronken, maar schrok zo van de prijzen dat ik er geen gebraden patrijzen heb durven bestellen. Je kunt niet alles hebben.

Verdwenen is het eens glorieuze Paleis voor Volksvlijt van glas en ijzer waarvan nog wel foto’s en ansichtkaarten bestaan. Het Paleis was naar Engels voorbeeld gebouwd en bestemd voor tentoonstellingen. Het ging in 1929 in vlammen op. Er voor in de plaats kwam na de oorlog het afzichtelijke gebouw van De Nederlandsche Bank waar ik, ook dat moet gezegd, een document vond dat voor een onthulling zorgde in een boek dat ik aan het schrijven was. Sarphati had daar niets mee te maken.

Bottenheim noemde Sarphati ‘een zielvol denker, een zoon der studie, een gelovige op het gebied van menschenmin en van vooruitgang.’

Gezwollen taal zeggen we nu, maar in de kern juist.

In 1942 verdween, op last van de Duitse bezetter, zijn (joodse) naam uit het straatbeeld. Nu kan men weer door de Sarphatistraat wandelen en, mits voorzien van ruime beurs, uitgebreid gaan dineren in het Amstel Hotel.


Bottenheim, S. (1945). Dr. Samuel Sarphati en zijne betekenis voor Amsterdam. Amsterdam: "Joost van den Vondel". I.g.st., lichte verkleuring, met papieren omslag. 29 pp., 1e druk. Met illustraties. € 17,00. Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 16th, 2021 by Igor Cornelissen

Herman Heijermans Jr., schrijver over het kleine (on)geluk

De toneelschrijver en journalist Herman Heijermans Jr. (Rotterdam, 1864 – Zandvoort, 1924) had al heel wat geschreven voordat hij in 1908 naar Berlijn vertrok. Meestal had hij succes, maar een enkele maal werd een stuk van hem uitgefloten. Zou zoiets nu nog bestaan bij een premiére?  Veel van Heijermans stukken waren al in Berlijn opgevoerd. Hij kreeg er geen cent voor, want Duitsland was niet aangesloten bij de Berner Conventie. Dat werd na zijn Berlijner burgerschap beter, maar de geldelijke zorgen bleven want Heijermans leefde soms luxueus.

In ieder geval waren zijn contacten in de Duitse hoofdstad zo goed dat hij hetzelfde jaar al toegang kreeg tot het Berliner Tageblatt. Die krant drukte dat zijn impressies af, waarna een Nederlandse vertaling verscheen.

Veel Nederlanders kennen de geschiedenis van Berlijn een beetje. Vooral die van de stad tijdens de Weimarrepubliek toen de stad de toon aangaf wat betreft kunst, mode en uitgaan. En daarna kennen de meesten de stad in ruïnes, tenminste van de foto’s, inclusief de ondergang van het Derde Rijk met de lichamen van Hitler en zijn geliefde Eva Braun.

Maar hoe zag het Berlijn er van vóór de Eerste Wereldoorlog uit. Heijermans laat het ons zien. Hij bezocht een daklozencentrum, ging – hij bleef vaak de reizende reporter- in de hele vroege morgen met een bloemenverkoper mee. Bloemen waren altijd gewild. Op bruiloften en begrafenissen. Bij feesten en ‘s avonds laat als een verlept hoertje nog wat kleur tevoorschijn wilde toveren en een late boemelaar een roos in zijn knoopsgat stak. Van de luxe is niets te merken als Heijermans met vrouw en kind een kamer huurt bij een hospita en een schril beeld schetst van de inhalige verhuurster die vriendelijk lijkt, maar al snel een vlek op haar nieuwe tafelkleed ontdekt en schrikbarende prijzen berekent voor armoedige avondmaaltijden. Het aantal suikerklontjes bij de thee wordt van drie naar twee teruggeschroefd.

Heijermans wist uitstekend ‘de andere kant’ te portretteren.

Heijermans Jr., Herman (1908). Een wereldstad. Berlijnsche impressies en schetsen. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., vergeeld papier, enige roestvorming. Gebonden, 199 pp., 1e druk. € 38,50 (incl. pak- en verzendkosten binnen Nederland). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijvoorbeeld over en van Heijermans Jr.

januari 15th, 2021 by Jaap de Jong

Gullivers reizen

In het schitterend uitgegeven boek van Jonathan Swift (1667-1745) Gulliver’s Travels is voorin het ex libris van Freeman Clarke Samuel Roper (1820-1896) geplakt: “Spes Mea in Deo” ofwel “mijn hoop is op God”. Freeman C.S. Roper was in de 19e eeuw een bekend natuurwetenschapper en botanist. Hij verzamelde niet alleen werken over microscopen, maar was ook geïnteresseerd in de flora van het Eastbourne & Cuckmere district (waar hij ook woonde). Over beide thema’s stelde hij catalogi samen.

In elk geval was Freeman C.S. Roper ook de bezitter van een zeldzaam mooi exemplaar van Gulliver’s Travels van Jonathan Swift. Dit boek kwam later in de collectie van Igor Cornelissen terecht. Het exemplaar bevat 400 houtgravures van Jean Jacques Grandville (pseudoniem van Jean Ignace Isidore Gérard (1803-1847). Grandville was een dolle liefhebber van satirische humor en daarom buitengewoon geschikt als illustrator van Gullivers Travels. Dit boek van Swift is immers in de eerste plaats een satirisch werk; het drijft de spot met de Europese samenleving, de moraal en de wetenschap.

Ik heb het boek (een moderne variant) als jongetje van tien of twaalf in handen gehad, ook rijkelijk geïllustreerd; ik herinner mij tekeningen van Lemuel Gulliver die ergens aanspoelt op een strand van een of ander eiland en daar – in mijn herinnering – belaagd wordt door monsterlijke wezens. Díe tekeningen heb ik in deze versie niet kunnen terugvinden tussen andere fascinerende gravures van Grandville.

Voor mij is nu wel zeker dat dit het eiland Lilliput geweest moet zijn. De wezens daar zijn minuscule mensen met een lengte van ongeveer 15 centimeter. Op het eiland is er strijd gaande over de ware godsdienst en de politiek (de Tories en de Whigs), gesymboliseerd door de strijd om het eitje en de oorlog om de hakken: aan welke kant maakt met zijn eitje open (aan de bolle of de spitse kant) en draagt men lage dan wel hoge hakken)? Uiterst belangrijke vragen, net zoals de antwoorden natuurlijk.

Lemuel Gulliver raakt ook nog betrokken bij een oorlog tussen Lilliput en het eiland Blefuscu en helpt de Lilliputters totdat hij van verraad wordt beschuldigd en men hem het gezicht dreigt te ontnemen. Maar hij ontsnapt. En daar gaat het om: blijven ontsnappen totdat eens de dood er op volgt. Edoch, Spes Mea in Deo.

En zo zijn er nog drie delen. Wat een genot!


Swift, J. (1840). Travels into Several Remote Nations of the World [by Lemuel Gulliver, first a Surgeon an then a Captain of Several Ships in four parts. Illustrated with upward of four hundred wood-engravings from designis of Grandville. With Copious Notes, A Life of the Author, and An Essay on Satirical Fiction by W.C. Taylor]. London: Hayward and Moore. I.z.g.st., gebonden in kalfslederen band, titel in goudopdruk, geringe roestvorming, prachtige schutbladeren, 508 pp. Zeldzaam. Uit de collectie van Igor Cornelissen. € 225,00 (incl. pak- en verzendkosten, ook binnen Europa). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 15th, 2021 by Igor Cornelissen

Het congres van Wenen en de genoegens van Vita en Harold

Het congres van Wenen vond plaats in 1815, maar Harold Nicolson (1886-1968) pakt het breed aan, zoals hij alles breed aanpakte. Deze diplomaat, schrijver en politicus, werd in 1886 in Teheran geboren waar zijn vader gezant was.

Nicolson vond, toen hij in later jaren terugkeek, zijn leven nogal mislukt. Vreemd want hij schreef 125 boeken was lid van het parlement en werd onderminister. Zijn belangstelling was heel breed. Hij schreef o.a. over Verlaine, en Swinburne en kreeg, hoewel hij kort lid was geweest van een fascistische partij, toegang tot de koninklijke archieven om een biografie over George V te schrijven. Vanaf 1930 woonde hij op kasteel Sissinghurst dat hij met zijn vrouw, de dichteres Vita Sackville-West in oude glorie herstelde. Zijn vrouw maakte van de uitgebreide tuinen een lusthof die nu jaarlijks door tienduizenden toeristen worden bezocht, maar Harold knipte zelf ook wel met zijn rozenschaar. Ik was een van die bezoekers en dacht meer aan de schitterende rozen en altijd groen bemoste muren dan aan het Congres van Wenen.

Het congres van Wenen gaf Nicolson de gelegenheid om de herordening van Europa na de val van Napoleon te voorzien van ruim bemeten steigers. De Heilige Alliantie, een  vaag bondgenootschap tussen het Rusland van tsaar Alexander, Pruisen en Oostenrijk moest een tegenwicht vormen tegen de ideeën van de Franse Revolutie. Vaag was het omdat het stoelde op christendom en begrippen als barmhartigheid en naastenliefde. De tsaar zou bij dat plan beïnvloed zijn door de Baltische mystica barones Barbara Juliana von Krüdener, een naam waarvan je denkt dat hij door een tweederangs romancier is verzonnen. Nicolson vond bronnen waaruit kan blijken dat zij dankzij (of ondanks?) haar mystiek het bed deelde met de tsaar. Een avontuurtje dat niet heel lang duurde, maar genoeg was voor de Heilige Alliantie.

Ondanks mijn aanzwellende hang naar het vegetarisme genoot ik ook van Nicolsons beschrijving van de mondaine genoegens tijdens die maanden durende onderhandelingen. Recepties, bals, banketten, tombola’s, spiegelgevechten… Er leek geen einde aan te komen. Tijdens de jachtpartijen werd, volgens een ooggetuige, een onnoemelijk aantal everzwijnen, herten, hazen en ander wild onder luide bijval der toeschouwers omver geschoten. En dan waren er nog de kleinere avondjes in de huizen van de Weense upper ten.

Nicolson schreef in ieder geval niet saai.

En wat zijn sombere terugblik op zijn eigen leven betreft, misschien dat de verklaring gezocht moet worden in zijn huwelijk. Zijn vrouw was lesbisch (Virginia Woolf was een van haar vriendinnen) en hij homo, beiden ook biseksueel,  en hun verhoudingen dienovereenkomstig. Maar dat moet toch op dat schitterende Sissinghurst een welkome afleiding zijn geweest voor het graven, spitten, zaaien, planten, dichten en boeken schrijven?


Nicolson, Harold (1948. Het congres van Wenen. De samenwerking der geallieerden in de jaren 1812-1822. Amsterdam: Querido Uit het Engels vertaald door E. Lopes Cardozo. I.z.g.st, gebonden in blauw linnen met gouden belettering. Met mooie stofomslag, 344 pp., illustraties en bibliografie, vertaling Lopes Cardoza. Met frontispiece (schilderij naar een tekening van Isabey). Ex Libris van A.J. Blydestein. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 21,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 14th, 2021 by Igor Cornelissen

De Russische reisschetsen van Philip Mechanicus

Bij zijn eerste reis in 1930, georganiseerd door de Nederlandse vertegenwoordiger van het Russische reisbureau Apie Prins, werd Philip Mechanicus vergezeld door architect H.P. Berlage en de kunstenaar Henri Pieck die op dat moment voor de Russische geheime dienst werkte. Pieck schreef een dik boek over de reis die alleen maar lof bevatte. Mechanicus daarentegen was kritisch en noemde de geheime dienst die iedere Rus in de gaten hield en hij wist ook al dat in de Ljoebjanka gevangenis de opgeslotenen onder erbarmelijke omstandigheden moesten leven.

Mechanicus was vooral nieuwsgierig, zoals het een journalist betaamt. Toen hij als jood in Westerbork zat (in afwachting van zijn transport naar en dood in Auschwitz) schreef hij In Depot dat lang na zijn dood werd uitgegeven. Een buitengewoon belangrijk boek.

Philip Mechanicus schreef over de seksuele wetten in Rusland (op de praktijk kon hij natuurlijk geen zicht hebben), de film en de economische toestand. Het jaar 1931 was volgens hem een  kritiek jaar. De hongersnoden in de Oekraïne moesten nog komen. Het grote enthousiasme die merkbaar was bij het begin van het vijfjarenplan was nog niet gedoofd, maar wel aanmerkelijk teruggelopen.

Het is jammer dat we niet meer te weten kunnen komen wie Mechanicus’  bronnen waren. Met wie sprak hij? Kende hij voldoende Russisch of moest hij het doen met (voorgeprogrammeerde? ) tolken?

In deze tijd, waarin Nederland over slavisten en kremlinologen beschikt, is het interessant te lezen hoe Mechanicus zich een weg baant door dat enorme en zelfs deels ondoordringbare land. Dat laatste is nog altijd zo, al weten we nu veel meer dan het Handelsblad toen kon weten. Wat Mechanicus zag, noteerde hij: de onafzienbare stoet van haveloze, dakloze wezen, bedelend langs de straten.

Als terzijde blijve niet onvermeld dat de toenmalige liberale hoofdredacteur van het Handelsblad, Von Balluseck, fel anti-nazi, afstamt van een Russische familie. Hij werd tijdens de bezetting door de Duitsers gearresteerd, kwam later en werd en na 1945 diplomaat.


Mechanicus, Philip (z.j.[ca. 1933]). Russische reisschetsen. [Verzamelde reisbrieven, overgenomen uit het Algemeen Handelblad van 1930, 1931 en 1932, met een voorwoord van D.J. von Balluseck.]. Uitgave van het Algemeen Handelsblad. Redelijk; omslag 'hersteld' (zie foto). Binnenwerk goed. 111 pp., met illustraties. Met ex libris van J. Kortenhorst. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 15,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 13th, 2021 by Igor Cornelissen

Achter het mombakkes: Over Shakespeare

De in Middelburg geboren P.H. van Moerkerken Jr. (1877-1951) studeerde in Utrecht Nederlandse letteren. Hij promoveerde in 1904 op De satire in de Nederlandse Kunst in de Middeleeuwen. Tijdens zijn leraarschap werd hij aan de Academie voor Beeldende Kunst benoemd tot docent in de iconografie. Hij is ook bekend geworden als boekbandontwerper en illustrator. En hij schreef onder het pseudoniem Peter Dumaar.

Toen de criticus Kees Kelk hem in 1951 in De Groene Amsterdammer herdacht, noemde hij Van Moerkerken een miskend talent. Achter het mombakkes leek daar enige verandering in te brengen. Deze studie over Shakespeare verscheen kort voor de dood van Van Moerkerken. In het goed geïllustreerde boek wordt – en niet voor het eerst – de vraag opgeworpen of Shakespeare werkelijk de auteur is van de aan hem toegeschreven toneelstukken en sonnetten.

Was niet veeleer graaf Edward De Vere de schrijver? Shakespeare was al eerder getypeerd als een charlatan, een analfabete derderangs toneelspeler die onmogelijk op de hoogte kon zijn van het wel en wee der vorstenhuizen. De Vere was dat in ieder geval wel. Die verkeerde aan het Britse hof en kwam zelfs in de Tower terecht. Hij zou gesympathiseerd hebben met het roomse geloof. En dat was niet het enige. Dat verblijf in de Tower was niet voor goed, want De Vere vocht daarna nog enkele jaren met de Hollanders mee tegen de Spanjaard.

Het is alsof ik zelf al iets van argwaan had. Toen ik Stratford-upon-Avon bezocht bezocht ik het geboortehuisje van Shakespeare niet, hoewel het bij de rondreis was inbegrepen. Was dat niet allemaal namaak? Maar misschien had ik geen zin me mee te laten voeren in de lange rijen der toeristen. Ik verzeilde in een antiekwinkeltje en kocht daar voor mijn verzameling een mooi antiek antiekpotje. Dat was tenminste iets voor echte schrijvers.

Ooit bezocht ik de schrijver C.J. (Kees) Kelk die Van Moerkerken “een miskend genie” had genoemd. Het was kort voor zijn dood voor een interview in Vrij Nederland. Dat was overigens niet makkelijk. Kees ontving me met grote vreugde. Helaas was hij geteisterd door een herseninfarct, waardoor hij met moeite slechts enkele woorden kon uitbrengen. Was het waar dat hij altijd zo mild over boeken had geschreven? Ja. Omdat-ik-weet-dat-het-zo-moeilijk-is-een g-g-goed-boek- te -schrijven.

En die boeken die hij over wijnen had geschreven. Nee dat was niet moeilijk geweest. Waar was daar de kern van geweest. Kees lachte. Bij wijn ging het om de k-k-kwali-teit. Van Moerkerken kwam lang na zijn dood nog in het nieuws, maar dat kwam door zijn zoon, de bekende fotograaf Emiel van Moerkerken die het archief van zijn vader bij het letterkundig Museum opeiste. Dat wilde het Museum niet omdat de nalatenschap aan het Museum was geschonken. Hoe dat conflict is afgelopen, weet ik niet. Bovendien is dat veel minder interessant dan het achterhalen van de schrijver van Hamlet en al die andere meesterwerken. Die discussie woedt nog steeds voort.


Moerkerken, P.H. van (1950). Achter het mombakkes. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Geïllustreerd, frontispiece met afbeelding van Edward de Vere. Met verantwoording afbeeldingen, noten, 154 pp. Beschadigd stofomslag. Bijgevoegde krantenknipsels geven enig inzicht in de figuur van prof. P. H. van Moerkerken en Kees Kelk. € 16,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 11th, 2021 by Igor Cornelissen

A.B. Kleerekoper, de kronkel bij het Volk

Vroeger – nog niet eens zo lang geleden – was alles anders en wist men in de Rode Familie wie A.B.K. was. Toen wel. Sommigen noemen hem de eerste columnist, schrijver van het ‘hoekjesstuk’. Dat zijn dan vaak de lezers van Het Parool. Zij begonnen hun dag met de kronkel van Simon Carmiggelt; de dagelijkse kronkel.

De columnist Kleerekoper, zionist én socialist, was politieker en had een, om het zo te noemen, fijne neus voor het antisemitisme. Geen wonder dat zijn stukjes uit de jaren dertig daar vaak over gaan.

Kleerekoper was geen makkelijk mens in de omgang. Hij was nogal bewust van zijn eigen voortreffelijkheid. Aan zijn toewijding voor de socialistische zaak bestaat geen enkele twijfel. Tal van fondsen werden door hem opgericht. Voor bedelen schaamde hij zich niet. Mits voor de goede zaak. Hij was de zoon van de rabbijn in Tiel. Aan bijbelkennis ontbrak het hem niet en dat maakte dat hij in zekere kringen werd gevreesd.

In 1929 werd A.B.K. getroffen door een ellendige ziekte. Toen hij een paar jaar later het ziekenhuis mocht verlaten had hij twee verlamde benen. Hij bleef voor Het Volk schrijven. Bij redactievergaderingen, die bij hem thuis plaatsvonden, leefde hij op. Hij moest mensen zien en horen. Voor zijn ziekte reisde hij met de trein het hele land af voor spreekbeurten. Hij nam dan de derde klas want dan hoorde je wat er onder het volk leefde. In mijn tijd bij Vrij Nederland konden redacteuren al een leaseauto krijgen. Dit alles terzijde, net als de constatering dat er tegenwoordig honderden ‘columnisten’ zijn die allemaal (n)iets te melden hebben.

De zwaar zieke Kleerekoper kreeg tijdens de oorlog een kleine voorkeursbehandeling. Hij werd niet gedeporteerd, maar mocht zijn laatste weken doorbrengen in een joods ziekenhuis. Daar bezocht partijgenoot Willem Drees hem nog met als geschenk drie gebakken scholletjes. Die heeft hij niet meer kunnen opeten. Hij werd op Muiderberg begraven. Zijn zionistische vrienden, die enkelen die nog niet waren opgepakt, mochten hem niet op zijn laatste tocht begeleiden.


Kleerekoper, A. (1933). Oproerige krabbels [verzameld en ingeleid door Joh. Winkler]. Amsterdam: Querido. I.z.g.st., zwartlinnen band met rode belettering. Bandontwerp van Fré Cohen. Gebonden in linnen, 181 pp., 1e druk. Uit de collectie Igor Cornelissen. Foto auteur als frontispiece, 2e bundel (vijftien jaar na de 1e). Incl. 2 originele krantenknipsels met columns van ABK (uit jaren dertig). Niet meer leverbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 6th, 2021 by Igor Cornelissen

Bunyan in the Short History of the English People van Green

Een korte geschiedenis over het Engelse volk, maar wel in vier dikke delen en met schitterende illustraties. Niet alleen hoe de slaapkamer van een Engelse lady eruit zag en hoe koningin Elisabeth zich al biddend tot het Opperwezen wendde, maar ook hoe in de veertiende eeuw kippen werden gevoerd en een paard werd beslagen. De vier delen vullen in totaal 1906 pagina’s. Men is bijna geneigd dat ‘short’ te zien als ironie, waar de Engelsen sterk in zijn. De historicus John Richard Green (1837-1883) had een zwakke gezondheid (longen) en had haast met het afmaken van zijn  meesterwerk. Zijn Short History verscheen in de jaren 1878-1880 voor het eerst (maar zonder illustraties).

In deze editie, uitgegeven na de dood van Green, zijn talloze illustraties opgenomen en die maken deze uitgave bijzonder. Tot op de dag van vandaag verschijnen er herdrukken van deze uitgave uit 1892-1894.

John Richard Green (1837-1883) die eerder geestelijke was, maar later in Oxford geschiedenis studeerde wilde geen boek schrijven over veldslagen, dus niet over hoe de ene helft van de mannen een ander deel afslachtte, maar over de gewone mens in het veld. Toch veel afbeeldingen van kastelen, fraaie landhuizen. graven, koningin Elisabeth in gebed maar ook ‘onze admiraals De Ruyter en Tromp, een Iers melkmeisje, een schoenmaker en zijn (spaarzame) gereedschap en een keukenmeid. Opvallend voor zijn brede en ongewone belangstelling is bijvoorbeeld ook een afbeelding van het schip Bellerophon waarmee Napoleon naar St. Helena werd vervoerd. Wie heeft er (nu nog) ooit van dat schip gehoord?

Green besteedt de nodige aandacht aan religie en de daarbij behorende twisten. De Puriteinen en de Pilgrim Fathers (waarvan een groep in 1609 naar Leiden vluchtte en daar asiel verkreeg) krijgen veel aandacht. Hij schrijft ook over de predikant John Bunyan die in bevindelijke kringen nog met grote instemming wordt gelezen, meestal in een Nederlandse vertaling. Je gaat meeleven als je, in deel III de prent ziet van het in 1687 gebouwde lokaal in Southwark waar Bunyan en zijn volgelingen bij elkaar kwamen. In de Londense wijk Southwark herinnert in Zoar Street niets meer aan de geestelijke arbeid van Bunyan. Het is nu een saai stukje straat in een vooral door naargeestige banken en hoge kantoorgebouwen overheerste buurt.

Later dan Bunyan spelen de grote koloniale overwinningen die een rol in Greens overzicht krijgen. De tijd dat Groot Brittannië een wereldmacht wordt. In 1759 noteert de schrijver Horace Walpole: ‘We are forced to ask every morning which victory there is for fear of missing one.’ Conservatieve politici als Boris Johnson zullen met gevoelens van heimwee aan die tijd terugdenken.


Green, J.R. (1892-1894). A Short History of the English People. Illustrated edition by Mrs. J.R. Green and Mrs. Kate Norgate. London/New York: MacMilland and Co. Preface and introduction by Alice Stoppord Green (background of the illustrated edition), Preface of the First Edition by J.R. Green. Contents and notes on the illustrations [All Volumes], 1906 pp. Ex libris Robert Russell Needham Baron. Good, light foxing. In blue cloth bindings with gilt lettering to the spines and gilt embellishment to the front boards. There are coloured maps to the front of Volume I and IV and a fold-out map to the front of Volume III. With numerous black and white illustrations throughout all volumes.

Very scarce edition (not founded) € 285,00 (incl. shipping within The Netherlands). Interested? Contact us.


Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 6th, 2021 by Igor Cornelissen

De vijf dagen van Churchill

John Lukacs was een in Boedapest geboren historicus (katholieke vader, joodse moeder) die zeer productief was. In 1946 toen hij de communistische heilstaat in zijn land al zag aankomen, vertrok hij naar de Verenigde Staten waar hij colleges ging geven aan het Chessnut Hill College in Philadelphia. Hij steekt in veel van zijn boeken zijn lof over Winston Churchill niet onder stoelen of banken. Hij zag hem als de grootste staatsman van de twintigste eeuw. Hij trok van leer tegen het populisme dat hij, lang voordat men hier wakker werd, als een groot gevaar zag. Vroeger werd men bespeeld door aristocraten, daarna door democraten, maar de uitwerking was niet hetzelfde.

In Vijf dagen in Londen beschrijft Lukacs nauwkeurig wat er in en rondom de regeringsgebouwen in Londen gebeurde, maar ook wat  de man (en zijn vrouw) ‘in the street’ ervan dacht. Tegengestelde meningen. Overal. Er waren ook vrouwen die niks voor de voortgezette oorlog voelden. Als er een vergelijk met Hitler mogelijk was, dan hadden ze tenminste hun man weer thuis. Levend. Op 1O mei was Chamberlain afgedankt en Churchill benoemd tot regeringsleider. Chamberlain was de man die dacht dat hij met Hitler een overeenkomst kon sluiten. Peace in our time. De vlaggen werden uitgehangen. Maar Hitler slokte Tsjechoslowakije op en dat deed het prestige van Chamberlain geen goed. En dat was nog maar het begin. Churchill bestreed Hitler vanaf 1932 in redevoeringen en artikelen. Die werden in heel Europa afgedrukt. Of ze ook gelezen en begrepen werden, is een ander ding.

Lukacs noteert dat allemaal. Heel bijzonder is dat hij vertelt dat Churchill als regeringsleider zijn afgedankte voorganger nodig had. Die is namelijk nog altijd de aanvoerder van de Conservatieven in het Lagerhuis en Churchill wordt door velen van hen, hoewel partijgenoten, toch met wantrouwen bezien, met hoorbaar wantrouwen ook. Churchill krijgt Chamberlain aan zijn kant tijdens de discussies die soms in afgesloten ruimtes worden gevoerd. Churchill toont zich niet haatdragend tegenover zijn voorganger. Integendeel. Chamberlain is daar gevoelig voor en ziet eindelijk in dat er met Hitler niet te onderhandelen valt.

In Nederland is ook vijf dagen gevochten. Hier en daar met heldenmoed. Maar wij hadden nauwelijks wapens. Er was maar één tank. Alleen op de Afsluitdijk stonden moderne bunkers met afweergeschut. Toen de mannen daar hoorden dat Nederland had gecapituleerd moesten ze huilen. Ze hadden op het Kornwerderzand toch de Moffen tegengehouden? Over onze vijf dagen oorlog tegen Duitsland schreef Loe de Jong een heel boek in zijn reeks over het Koninkrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lukacs schreef een spannend boek over vijf dagen.

In Engeland was het met de bewapening maar net iets beter gesteld dan in Nederland. Churchill wist dat, maar van een toegeven aan Hitler wilde hij niet weten. Dat maakt hem tot een groot staatsman. Die paar dagen die beslissend werden voor de toekomst van een bevrijd en democratisch Europa waren beslissend. In ieder geval voor het deel waar wij in leven. Zo lang het duurt.


Lukacs, J. (2005). Vijf dagen in Londen. Mei 1940. Amsterdam: Mets & Schilt. I.z.g.st., als nieuw, gebonden in lichtblauw linnen met stofomslag en leeslint. 1e druk. Vertaling Paul Syrier, met bibliografie en noten. Uit de collectie Cornelissen. € 20,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 4th, 2021 by Igor Cornelissen

Zwolle op de kaart

De herinneringen van Catharina Magdalena van Hille-Gaerthé (1881-1958), dochter van een Zwolse huisarts, beslaan de jaren 1881-1914. Dat zijn de jaren dat niemand het in zijn malle hoofd kreeg om Zwolle ‘op de kaart te zetten’ en het evenmin nodig werd geachten, om de stad te promoten als Hanzestad.

In de Mijmeringen, die voor de Zwolse Courant zijn geschreven en werden gepubliceerd in de jaren 1956-1958, is Zwolle nog een rustige provinciestad met weinig industrie. Een ambtenarenstad heette het in mijn jeugd. Nu is het een stad met studenten, hoewel er nergens een hoogleraar rondloopt. In de tijd van Van Hille was de Diezerstraat een winkelstraat maar van ‘ketens’ had men niet gehoord en zelden stond een pand leeg. Een winkelier begon zijn zaak in de overtuiging dat zijn kinderen het tot grotere bloei zouden brengen. In die Diezerstraat stond nog de Oude Gaper. Daar waren er toen al weinig meer van in Nederland. Soms is het een neger, legt Van Hille uit. Ook dat woord is nu taboe en de Oude Gaper is al jaren verdwenen.

Aandoenlijk is haar beschrijving van de boerinnen in klederdracht die hun groente en bloemen verkochten. Een enkele keer zie ik nog vrouwen uit Staphorst in klederdracht. Ook dat verdwijnt.

Ik zou het boekje van Van Hille vooral rustgevend willen noemen. Zoals het was en nooit meer terug zal komen. Niemand voelde toen de behoefte om zijn deur te vergrendelen. Zelfs het Heilsleger dat ze beschrijft, met de vrouwen die met hun Halleluja hoeden in het begin werden uitgejouwd, zie ik nooit meer. Vroeger nog wel. Ze hadden een pand in de Diezerstraat. Daar zal nu ook wel een keten in zitten als er niet al een bordje met Te Huur op staat.


Hille-Gaerthé, C.M. van (z.j.). Zwolse mijmeringen. Herinneringen aan de jaren 1881-1914. Zwolle: Erven J.J. Tijl. Omslag met vlekken, gebruind papier. 71 pp., met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met meerdere foto's, € 12,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 3rd, 2021 by Igor Cornelissen

Over Jan Hanlo, een liefdevol surrealist

Ik vind Jan Hanlo een liefdevolle surrealist, al hebben deskundigen hem ongetwijfeld beter, laten we zeggen wetenschappelijker getypeerd. Met liefdevol bedoel ik bijvoorbeeld zijn korte verslagje hoe hij ‘s morgens vroeg om vijf uur, om en om met een merel een lied fluit. Jan is dan één met de natuur.

Hij werd tot de vijftigers gerekend en dat gold zeker voor wat zijn leefwijze en drankzucht betreft, maar hij kon of wilde niet leven zonder zijn katholieke god. Zo was hij opgegroeid. Als hij in Ierland ‘s morgens vroeg naar zijn goedkope hotel loopt na een vermoeiende nacht informeert hij bij een omstander waar een roomse kerk is. Hij moest immers zijn zondagsplicht vervullen. Dat hij zich in de dag vergist, maakt het verhaal nog komischer. En al heb ik dan nooit in een Iers kippenhok de nacht doorgebracht ik herkende de door Hanlo opgeroepen sfeer van dat land. Hetzelfde merkte ik toen ik zijn korte verhalen las over Sevilla. Ook daar was ik eens, vele jaren later, maar het leek of ik dezelfde Spanjaarden en zigeuners had ontmoet.

Als hij in tien regels uitlegt waarom het zo moeilijk blijft non-figuratieve kunst mooi te vinden (‘het stelt immers niets voor’) en opmerkt dat hij aan avondlucht of zonsopgang niets aan vindt, maakt hij voor één gewaarwording een uitzondering. Bij een zonsopgang meende hij één keer ‘ergens in de vorm van zo’n wolk de neus van mijn grootmoeder te onderscheiden en toen vond ik het ineens mooi.’

Ik had het moeten zeggen: Je hebt gelijk Jan, het hoeft allemaal niet zo ernstig, maar nou net die ene keer dat ik Jan Hanlo ontmoette en met hem de stad introk, werd hij in korte tijd zo straalbezopen dat hij mijn woorden niet gehoord zou hebben.


Hanlo, J. (1966). In een gewoon rijtuig. Amsterdam: G.A. van Oorschot. I.g.st., omslag licht beschadigd (bovenzijde rug). Paperback/softcover met flappen, 279 pp., € 15,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 2nd, 2021 by Jaap de Jong

Zwolse egodocumenten in het nieuwste nummer van het ZHT

Zojuist arriveerde het nieuwste nummer van het Zwols Historisch Tijdschrift (37e jrg., nr. 4, 2020). Daarin aandacht voor het afscheid van Annèt Bootsma als hoofdredacteur. Meer dan de helft van het bestaan van het ZHT drukte zij haar stempel op het tijdschrift. Net als twee andere medewerkers (Wim Huijmans en Wim Coster) stopt zij met de redactie van het tijdschrift. Dat is een stevige aderlating voor het tijdschrift dat mede door hun inbreng een professionele uitstraling kreeg.

In dit nummer ook volop aandacht voor het egodocument. Een bron die door Bootsma zeer wordt gewaardeerd. De artikelen over Steven van Egten, maar ook dat van Harry Koopman (over zijn katholieke jeugd in het verzuilde Zwolle) zijn gebaseerd op egodocumenten en herinneringen. Belangrijk voor een levend contact met de wereld van gisteren.

Verleden en toekomst van de Zwolse architectuurgeschiedenis komen naar voren in het gesprek met oud-wethouder Margriet Meindertsma die met verbazing en ongerustheid de tomeloze ambitie op het Zwolse stadhuis gadeslaat: Zwolle moet de vierde topregio in het land worden. Meindertsma formuleert het omzichtig: ‘Deze groeiambitie past niet bij Zwolle. Het is te veel, te hoog, te dicht op elkaar en vooral te duur’. De gaten in het historisch centrum van Zwolle en de vernielzucht van de heren bestuurders uit het recente verleden (jaren zestig) zou toch iets moeten betekenen als het gaat om deze ambities, zou ik daaraan willen toevoegen. Ed Anker van de ChristenUnie, verantwoordelijk wethouder, is misschien nog aanspreekbaar op de torenbouw van Babel die nergens toe leidde dan tot verwarring en verval. Dit natuurlijk terzijde.

Jan van de Wetering schrijft een boeiend artikel over de Zwolse socialist Louis Cohen (1864-1933) die een maand werd opgesloten in ‘Hotel de Houten Lepel’, waarin nu het drie-sterrenrestaurant De Librije is gevestigd. Huidige bezoekers moeten haast wel in huizen met gouden lepels zijn geboren om daar van de tafel te snoepen, maar ook dit terzijde. Het is een mooi verhaal geworden, mede door het gebruik van een bron die zeer concrete informatie verstrekt over het dagelijks leven in de Zwolse gevangenis (Enquête over de behandeling van Politieke misdadigers in Nederlandsche Gevangenissen). Daarnaast besteedt Van de Wetering aandacht aan Domela Nieuwenhuis, Herman Heijermans en drie van de twaalf apostelen uit de socialistische beweging. Kompaan Igor Cornelissen zal er van smullen. Dat is zeker.


Voor het lidmaatschap van de Zwolse Historische Vereniging kunt u zich aanmelden op de website.  U ontvangt dan jaarlijks vier nummers van het tijdschrift.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 2nd, 2021 by Igor Cornelissen

Kuyper en het bukken der Oranjes. Een gedenkboek

Mogen wij de In memoriams in de pers geloven dan zijn ons de laatste jaren vele Grote Staatslieden ontvallen. Na Den Uyl werden Kok, Van Mierlo en Lubbers de hemel in geprezen voor zover zijn daar al niet in vertoefden.  Langer geleden was Willem Drees aan de beurt. Maar een socialist die mede verantwoordelijk was voor twee koloniale oorlogen kan men toch moeilijk een groot staatsman noemen. Twijfel aan zoveel eerbewijs is gerechtvaardigd.

Abraham Kuyper riep tijdens zijn leven veel weerstand op. En niet alleen ter linkerzijde en bij de liberalen. Toch was hij zeker een groot Staatsman. Niet omdat de Geldersche Kerkbode  en het Predikbeurtenblad na zijn dood hem als zodanig beschreven. De hele vaderlandse pers huldigde hem. Zelfs de communist David Wijnkoop noemt hem een groot staatsman “sedert de zatheid der regenten” hier placht te regeren. Hij was de agitator, een volkstribuun  en organisator van een volksklasse die in de verdrukking was geraakt, de ‘kleine luyden’.  Bovendien, benadrukt Wijnkoop, had Kuyper Oranje laten bukken. Natuurlijk, zijn enige ideologie was die van de clericalen. Maar er zouden andere tijden komen met andere leiders.

Ook in de buitenlandse bladen was de lof groot, waarbij in dit rijk geïllustreerde boek de bijdrage uit de Pester Lloyd opvalt. Dat was wel verklaarbaar, want Kuyper had Hongarije bezocht en er veel dingen geprezen. Belangrijk was de verbondenheid met de Hongaarse gereformeerden. In Hongarije was ook bekend dat Kuypers dochters zich meermalen hadden ingespannen voor de opvang in Nederland van de door de oorlog verzwakte Hongaarse kinderen.

De foto’s van familie, medestanders (o.a. opvolger Colijn),  woonhuis, uitvaart en begrafenis zijn curieus. Een illustratie valt extra op: het Koningshuis had zich (waarschijnlijk met tegenzin, maar dat staat er niet bij) laten vertegenwoordigen door hoogwaardigheidsbekleders.

Enige merkwaardige knipsels zaten in het boek waaronder een verslag van de schaker Jan Hein Donner (ARP geslacht) over een jazz lezing die hij in 1944 bijwoonde. Twee dochters van Kuyper hadden verontwaardigd het zaaltje verlaten toen de inleider een lans brak voor jazzmuziek. Negro spirituals, mits zoetsappig,  konden nog door de beugel. Jazz was vele stappen te ver. Jammer dat dit soort schijnbaar onbetekenende details zo vaak buiten de  geschiedschrijving blijven. Dit boek komt overigens uit de nalatenschap van een van de dochters van Abraham Kuyper.


Kuyper, H.H. (samensteller & inleiding). Gedenkboek ter herinnering aan het overlijden van dr. A. Kuyper en de sprake die daarbij uit de pers voortkwam. Amsterdam: W. ten Have. I.z.g.st.. Gebonden met illustratie (in 3D) op voorplat, 320 pp., 1e druk. Met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen. Voorheen eigendom van Cath. M.E. Kuyper (dochter van Abraham K., naam op voorblad). Met veel fotomateriaal en krantenknipsels. € 22,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

januari 1st, 2021 by Jaap de Jong

The Painted Bird en het licht op Groot Wezenland

Vanmiddag wandelden wij rond de middeleeuwse stad Zwolle. De late middagzon stond op de huizen aan de overkant van de gracht bij Groot Wezenland. Hoe schoon het licht was dat over de bomenrij het spaarzame groen en de stenen muren streelde is onbeschrijflijk.

Er waren weinig wandelaars op de been. Verbeeld ik mij dat de mensen op nieuwjaarsdag meer ingehouden zijn? Leeft op die dag het besef van nog niet gerealiseerde mogelijkheid; van een ongereptheid waarbij alleen sneeuw ontbreekt? Witheid die alles bedekt en daardoor het nog niet ‘verschmutzte’ accentueert? Even verderop stonden vier witte duiven op het dak van een van de panden aan de Diezerkade. Ze keken allen één richting op, alsof daar het heil ophanden was. Plots voegt zich een spreeuw bij hen. Met het verschijnen van de zwarte spreeuw, de dissonant, versprongen mijn gedachten naar de docentenkamer van een MEAO, midden jaren tachtig, waar collega dr. Ernst Verwaal (1934-2018), de blijmoedige godsdienstfilosoof, mij tijdens pauzes inwijdde in de geschriften van Martin Buber, het chassidisme, de literatuur – zoals in de verschrikkingen van de romankunst van Jerzy Kosinski (1933-1991) en wat al niet meer.

Jerzy Kosinski maakte naam met zijn roman De geverfde vogel dat het verhaal vertelt van een Joods jongetje dat tijdens de oorlog op het Poolse platteland bescherming zoekt en rondzwerft in een poging onderdak te krijgen. De titel van de roman verwijst naar een gebruik om een vogel in bonte kleuren te verven en vervolgens los te laten onder zijn soortgenoten. Die herkennen hem niet en verstoten hem uit de groep. Dat gaat niet zonder dood en verderf. De vogel wil met de troep mee – het is immers zijn troep – maar die wil hem niet. Ik herinner mij de afschuw bij het lezen van sommige passages uit het boek, maar tegelijk was er het vreemd genot van de herkenning. Het spel van afstoten en aantrekken: van geschilderd worden als ook van actieve onderdompeling in het ‘schmutzige’ bad dat wedergeboorte en vernieuwing belooft, maar niet zonder de prijs van verkleuring en vervreemding.

Het was maar even dat ik bij Kosinski en Verwaal toefde op de Zwolse Diezerkade. De spreeuw stond na mijn dromerij nog steeds vredig tussen de anderen. Volkomen zichzelf. Opgemaakt, noch geverfd, maar doodgewoon zwart tussen vier witte duiven. Thuisgekomen las ik dat Ernst Verwaal nog niet zo lang geleden overleed, en ook dat Jerzy Kosinski in 1991 een einde aan zijn leven maakte. Zijn roman De geverfde vogel is onlangs verfilmd. Ik weet niet of ik de film ga bekijken. De trailer is hier te zien.

De roman van Kosinski kan ik niet vinden. Als De geverfde vogel terecht is wordt hij niet losgelaten, noch verkocht.

december 31st, 2020 by Igor Cornelissen

Sporen van geestelijk leven: Henrik Ibsen

De stukken van Henrik Ibsen (1828-1906) worden nog altijd gespeeld, ook in Nederland. Dat is al heel bijzonder voor een negentiende eeuwer. Ibsen was dan ook een hele grote Noor. Daar zijn er meer van. Knut Hamsun is een van die anderen en op radio 4 is nog geregeld werk van Edvard Grieg te horen. Wij van ‘t Wasdom zijn geen skandinavologen, al zal de kompaan misschien een college kunnen geven over Kierkegaard of De reis van de voorganger van Olev Per Enquist of anders ik wel over een splinter van een links socialistische volkspartij in Noorwegen.

Terug naar Ibsen die, nadat zijn vader failliet ging, in “behoeftige omstandigheden” verkeerde. Hij ging al jong schrijven. Toneel. En dat bleef hij doen. In totaal 24 stukken. Met die stukken geldt hij als de voorbereider van de vrouwenemancipatie. Die eren hem. Althans, dat zouden ze moeten doen. Dat deed mijn moeder in ieder geval wel. Als ik als meisje was geboren, zou ik Nora hebben geheten. Mijn ouders hadden al een zoon en toen ik zeven jaar later in aankomst was, hoopte mijn moeder op een dochter. Een Nora dus. Mijn moeder zag het stuk, geschreven in 1879, maar waar en wanneer? Met Rika Hopper in de hoofdrol? Die naam noemde zij mij. Met regelmaat. De vier delen zijn verluchtigd met tal van foto’s. Ibsen zelf, zijn geboortehuis, zijn vrouw, studeervertrek en van de Nederlanders die in zijn stukken glorieerden. Op één van de afbeeldingen is Rika Hopper als Nora te zien. Rika werd bij haar dood geëerd als de grande dame van het Nederlandse toneel. Haar voorname dictie werd geprezen.

Bij de eerste opvoeringen van Nora waren er in Noorwegen demonstraties: voor en tegen. Want Nora ontpopt zich in het stuk als een zelfstandige vrouw die afscheid én afstand nam van haar overheersende, autoritaire man. Een scheiding. Ze gaf hem haar ring terug en hij moest de zijne afstaan. Ook dat nog? Ja, ook dat nog. En bovendien wilde ze geen geld van hem. Ze wilde zelfstandig zijn en zou wel zien hoe het verder zou lopen. In ieder geval op eigen kracht. Dat was een revolutionaire boodschap. Zeker in die tijd.

Ibsen bracht nog iets tot stand. Door zijn stukken werd de hegemonie van het Franse toneel doorbroken. Vertaalster J. Clant van der Mijl-Piepers vertaalde niet alleen vanuit het Engels, Duits en Frans, maar ook Noors en Deens. Later werd er wel kritiek op haar werk geleverd, omdat ze niet volledig zou zijn doorgedrongen tot Ibsens geest, werk en taalgebruik. Zoiets houd je onder kenners en mensen die het altijd beter weten. Wat ik niet wist, was dat ze contact had met Multatuli. Er was over en weer bewondering. Dat alles is en blijft interessant voor hen die weten (of willen weten) dat er ook voor de studentenrevoltes van 1968, ja zelfs voor de Russische revoluties van 1917 een boeiend geestelijk leven was in Europa waarvan veel sporen in Nederland zijn te vinden.


Ibsen, Henrik (1913). Dramatische werken [in vier delen]. Amsterdam: Meullenhoff. I.z.g.st., gebonden in groen linnen met goudopdruk (belettering). 2e druk. Met illustraties, vertaling J. Clant van der Mijl-Piepers. Met een inleiding van dr. W.G.C. Bijvanck. € 39,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 30th, 2020 by Igor Cornelissen

Jan Romein – een paar tips voor zijn biograaf

Jan Romein (1893-1962) bedankt een aantal mensen die hem een dak boden ‘in de dagen der vervolging’. De marxistische hoogleraar in de geschiedenis zat een deel van de bezetting gevangen en dook na zijn vrijlating onder. Voor het schrijven van zijn studie kreeg hij hulp omdat hij zelf de universiteitsbibliotheek niet kon bezoeken.

Romein toont in deze studie een brede aanpak wat ook in zijn andere werk (soms samen met zijn vrouw Annie Romein-Verschoor) ook nimmer ontbrak. Hij behandelt heel veel biografieën en hun schrijvers. Hij noemt drie kenmerken van de moderne biografie: 1. de onbevangenheid van de biograaf 2. zijn psychologisch doordringingsvermogen en 3. de gecompliceerdheid van het psychische beeld. Een volstrekte scheiding tussen de oudere en de moderne biograaf valt weliswaar niet te trekken, maar het is voor Romein duidelijk dat Karl Brandi, die het leven van Karel V beschreef, als goede Duitser leed aan een ‘ongeneeslijke elephantiasis van de ontzagsknobbel’.  Daarom werd de vraag waarom de keizer leed aan besluiteloosheid en hij maar door bleef gaan met lekker eten en drinken hoewel hij er niet tegen kon, onbeantwoord.

Het verschijningsjaar van deze studie (1951) is lang geleden. Veel interessante figuren kregen intussen een biografie en misschien kan Romein dat punt inmiddels intrekken. De bedachtzame historicus zou nu waarschijnlijk de vraag hebben gesteld of er niet veel te veel biografieën verschijnen over tweederangs schrijvers en politici.

Jan Romeins biograaf heeft zich voor zover ik weet, merkwaardig genoeg nog niet gemeld. Hij liet een enorm archief na. Hij bewaarde van jongs af aan veel, zelfs de onbenulligste briefjes. Kennelijk vond hij zichzelf al heel vroeg de moeite waard en wilde hij zijn biograaf ter wille zijn. Ik heb eens enkele uren in dat archief (bewaard op het IISG in Amsterdam) gesnuffeld en het was zeer de moeite waard. Romein, van doopsgezinde huize, werd op jonge leeftijd communist en was in de jaren twintig de feitelijke hoofdredacteur van het communistische dagblad De Tribune. Hij erfde wat geld en kon aan armlastige geestverwanten geld lenen. Eind jaren twintig werd hij geroyeerd omdat hij, net als de door hem bewonderde David Wijnkoop, de Moskouse lijn niet strikt wilde volgen. Wijnkoop legde een schuldbekentenis af en kroop op handen en voeten terug naar de moederkerk. In het archief van Wijnkoop vond ik de brief waar in Romein hem smeekt om ook terug te mogen komen in de partij. Kon Wijnkoop geen goed woordje voor hem doen? Zo werd Jan Romein in de jaren dertig geheim lid van de CPN. HIj omschreef de grondwet van de Sovjetunie als de meest democratische wereld, maar kreeg de communisten weer tegen zich toen hij voorzichtige kritiek uitte op de Moskouse schijnprocessen.

Uiteindelijk stemden de communisten toch voor zijn benoeming tot hoogleraar aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Dat alles komt natuurlijk uitgebreid in de biografie van Jan Romein die ik nog hoop te beleven. Daarin zal dan ook beschreven worden zijn, na de oorlog, voortdurend ondertekenen van door de CPN geïnspireerde protesten tegen de Westduitse herbewapening en alles wat naar Amerikaans imperialisme rook. Jacques de Kadt, de ex-communist, veegde in zijn memoires Uit mijn communistentijd de vloer aan met Romein die hij een nietskunner noemde. Dat was ook weer wat overdreven, meende Josine Meyer (die met Gerard Reve correspondeerde) vriendin en een groot bewonderaar was van De Kadt. Volgens Josine wist en kon Romein heel wat. En zo wordt men tussen Romein en De Kadt  heen en weer geslingerd. Zonder het lezen van boeken komt men er niet uit.

Tot slot een (niet terzijde) herinnering. Het was pas nadat Romein in Het Parool aandacht besteedde aan het dagboek van Anne Frank, dat een uitgever zich er aan waagde. Het nu wereldwijd vertaalde boek, was door vier of vijf uitgevers geweigerd. Voor de oorlog bestond, dachten ze, geen belangstelling meer. Dat zag Romein beter.


Romein, J. (1951). De biografie. Methode en techniek van de biografie van de oudste tijden tot heden [voorzien van een bladwijzer van schrijver en biografen] Amsterdam: Querido. Gebonden, hardcover met stofomslag (besch. stofomslag, zie foto), roestvorming topsnede. 237 pp., €17,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 29th, 2020 by Igor Cornelissen

Lucas van der Land en zijn dissertatie over de PSP

De in januari 1957 opgerichte PSP was vooral een uiting van de bezorgdheid van tamelijk veel Nederlanders over de bewapeningswedloop. Anti-militaristen en pacifisten, opmerkelijk veel met een christelijke achtergrond, verenigden zich toen de PvdA-leiding niet bereid bleek een van hen op een verkiesbare plaats voor de Kamer te zetten. De PvdA verwees naar ds. J.J. Buskes die in Het vrije Volk die opvattingen af en toe mocht uiten.

De PSP heeft veel woedende stukken opgeleverd. Jacques de Kadt (hij niet alleen) vond het een stelletje onbenullen die hun ogen sloten voor het Russische imperialisme. Tekenaar Fritz Behrendt beeldde ze af als domme (maar wel mooie) meisjes met paardenstaarten en de S stond voor studenten die baarden droegen.

Lucas van der Land (1923-1984) – op bijgevoegde foto wandelend aan de rechterzijde van de uitgever G.A. van Oorschot – stuurde de honderd eerste leden een vragenlijst. Op de aldus verzamelde gegevens was zijn proefschrift gestoeld. Ik vond het resultaat nogal mager en de opzet te gemakkelijk. Hetgeen ik, kersvers redacteur bij Vrij Nederland, in de recensie aangaf.

Lucas van der Land, in alle opzichten een probate kerel die bekendheid kreeg door het leiden van vele forums (over Vietnam o.a.) keek heel droevig toen ik hem kort na die bespreking op de kunstenaarssociëteit De Kring tegenkwam. Ik herhaalde mijn bezwaren en hij gaf me deels gelijk. ‘Maar ik moest toch promoveren?’ Hij was al jaren assistent van de blind geworden prof. J. Barents. Van der Land gaf loepzuivere colleges over de utopische socialisten uit de negentiende eeuw. Hij kon geen drs. blijven. Hij vertelde me nog dat hij van plan was geweest om op een van de Nederlands-Britse zeeoorlogen te promoveren. Maar dat kostte hem veel te veel tijd.

Ik kwam Lucas nog menigmaal tegen in Amsterdamse kroegjes die al lang niet meer bestaan. Hij was een vlot innemer van grote glazen bier. Lucas is er ook niet meer. Net zo min als de PSP die in Groen Links opging. Toen de spraakmakende PSP’er Fred van der Spek, jarenlang Kamerlid, werd gevraagd wat hij nu eigenlijk had bereikt, was zijn antwoord: ‘Helemaal niets.’

Ik mag er, en dat eens niet terzijde, aan herinneren dat Lucas van der Land één van de scholieren van het Vossius Gymnasium was die in 1940 het initiatief nam tot een leerlingenstaking tegen het ontslag van de joodse leraren.


Land, L. van der (1962). Het ontstaan van de PSP. Amsterdam: De Bezige Bij (incl. stellingen bij de dissertatie). Redelijk, met aantekeningen en onderstrepingen van I.C. (met pen). Met register, noten, bibliografie. Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeldzaam, € 14,50 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 28th, 2020 by Igor Cornelissen

Het trappen van WFH & de onttroning van Gomperts

De literatuurcriticus en latere Leidse hoogleraar Hans Gomperts kwam in zijn recensies en op de televisie (hij interviewde als een van de eersten Gerard Reve) over als een uiterst beschaafde, erudiete en innemende cultuurdrager.  En dat was hij denk ik ook. Zijn studie rechten kon hij door de Duitse inval niet afmaken, maar heel erg vond hij dat niet. Al voor de oorlog was de literatuur zijn grote liefde. Hij getuigde daarvan in het studentenblad Propria Cures waarin hij zich ontpopte als een Ter Braak adept. Een bewonderaar en verdediger van Menno ter Braak bleef hij zijn hele leven. Dat moest wel ruzie worden met Willem Frederik Hermans die de man zwaar overschat vond. Die controverse over Ter Braak (en Du Perron) heeft decennia geduurd. Hermans: “Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een tramconducteur trapt op zijn bel.” Dat soort uitbarstingen lijken helaas voorgoed verleden tijd.

Gomperts ontkwam in mei 1940 naar Londen en werd daar secretaris van de minister van Koloniën, de katholieke en reactionaire mr. Welter. Daarover heeft Gomperts nooit geschreven. Jammer. Wel over de groten van het Mooie Woord, in Nederland en ver daarbuiten. Multatuli en Slauerhoff natuurlijk en ver daarbuiten Nabokov, Kafka, Shakespeare en Edmond Wilson. Zijn belangstelling en kennis leek onuitputtelijk

Na 1945 werd Gomperts redacteur van het toen gezaghebbende Het Parool. Eerst als correspondent in Parijs. Het verhaal gaat dat hij geen telefoon wilde. Dat stoorde maar als hij aan het denken was. Hij kwam terug naar Amsterdam waar hij de kunstredactie versterkte. Hij kreeg prijzen voor zijn essays. Na zijn pensionering ging hij in Zuid Frankrijk wonen. Hij werkte er aan een dikke studie over de bewonderde Ter Braak. Er was toch iets mis aan de man. Dat bleek toen het boek na Gomperts dood uitkwam: ook Ter Braak was niet vrij geweest van antisemitisme.

Het leek wel of Gomperts zichzelf een beetje onttroond had.


H.A. Gomperts (1960). Jagen om te leven. Amsterdam: G.A. van Oorschot. Goed, gekartonneerd. Gebonden, 299 pp. Stoa-reeks, 1e druk, € 17,95 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

december 27th, 2020 by Igor Cornelissen

De staking van februari 1941

De Februaristaking van 1941 was een uniek protest van de bevolking in Amsterdam de Zaanstreek en Hilversum tegen de terreurmaatregelen van de nazi’s op de joden.

Dat de CPN leiding en hun aanhang daar een belangrijke rol in speelden, staat buiten kijf. Ben Sijes stelde dat in een publicatie van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie vast. Toch werd dat geschrift door de CPN aangevallen. Hen was onvoldoende lof toegezwaaid en de rol van partijleider Paul de Groot was niet heroïsch genoeg neergezet. Dat Sijes ooit radencommunist was geweest, en daarmee een tegenstander van de partijcommunisten, speelde ook een rol.

In veel artikelen en brochures trok de CPN alle eer naar zich toe. Gerard Maas, lid van de CPN sinds 1940, belangrijk verzetsman in de Zaanstreek en in 1944 gearresteerd en ter dood veroordeeld (maar begenadigd) was één van die schrijvers. Hij was lid van het partijbestuur en De Groot zag er op toe dat het boek van Maas de juiste toon bevatte. Later schreef Maas een beter, persoonlijker en eerlijker boek over zijn eigen rol in het verzet en de gevangenschap die volgde. Daarin kwamen communisten voor als normale mensen die ook fouten konden maken. Ik schreef er iets aardigs over in Vrij Nederland en dat waren ze bij de CPN niet gewend. Toen ik Maas eens tegenkwam, liet hij mij voorzichtig weten dat hij blij was geweest met mijn recensie.  Maas bleef tot zijn dood in 1988 lid van de CPN. Vele jaren was hij lid van het partijbestuur.

Henriëtte Boas, nooit verlegen om tegendraadse meningen, schreef in een ingezonden stuk dat de Februaristaking geen jood het leven had gered. Men kon beter ophouden de staking jaarlijks te herdenken. Anderen wezen er op dat de staking de geest van verzet had aangewakkerd. Niet ontkend kan worden dat dezelfde  trambestuurders die in februari 1941 heel moedig het verkeer in Amsterdam hadden platgelegd na de zomer van 1942 de trams bestuurden waarin de bij razzia’s opgepakte joden naar het Centraal Station werden vervoerd.


Maas, G. (1961). Kroniek van de Februari-staking 1941. Amsterdam: Pegasus. Goed, paperback met verkleurd stofomslag. Enkele gebruikssporen. 163 pp., met illustraties. Uit de collectie Igor Cornelissen, € 12,00 (incl. pak- en verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong