in 't Wasdom

Antiquariaat Cornelissen & De Jong – Zwolle
november 22nd, 2020 by Jaap de Jong

Bange mensen stellen geen vragen. Ronit Palache in gesprek met Cornelissen & De Jong

“De stem van Renate Rubinstein hoort bij ons land, al was ze dan Duitse van geboorte”, stelt Ronit Palache in het NRC-interview van vrijdag 21 november. Waarom dit zo is?

Dat vertelt Ronit Palache op 10 december om 19.30 tijdens een gesprek met Igor Cornelissen en Jaap de Jong in ’t Wasdom.

In dat gesprek schuwen zij de terzijdes niet. U kunt er bij zijn op 10 december 2020. Online en achter het scherm.

Bestelt u de bundel bij ons, dan ontvangt u twee dagen na het gesprek een gesigneerd exemplaar van Bange mensen stellen geen vragen. Voorafgaande aan het gesprek krijgt u de toegangscode toegestuurd. Daarmee heeft u online toegang tot het gesprek. U kunt zich hier van toegangscode & gesigneerd exemplaar verzekeren, evt. met opdracht.

Als u niet bang bent, kunt u donderdagavond 10 december ook vragen stellen.

Ronit Palache is journaliste & schrijfster en volgt daarnaast een PhD-traject. Zij stelde onlangs een bundel samen met het werk van Renate Rubinstein (1929-1990). De bundel verscheen afgelopen week in de privé-domeinreeks. In haar onderzoek (als PhD-er) is Ronit geïnteresseerd in het losmakingsproces bij mensen die opgroeiden in gesloten religieuze gemeenschappen en hoe taboes daarin een rol spelen.


Interview met Ronit Palache – Koelewijn, J. (2020) ‘Je te vroeg uitspreken is de valkuil van mijn generatie’, NRC Handelsblad, 19 november 2020

november 26th, 2020 by Igor Cornelissen

Een evacuatie is nog geen overwinning. Duinkerken 1940

Dit boek beschrijft de wonderbaarlijke ontsnapping van het in het nauw gedreven Britse leger bij Duinkerken. Honderden grote en kleine boten werden ingezet om ze in veiligheid te brengen terwijl de Duitse vliegtuigen al schietend over vlogen. Nog altijd is niet duidelijk waarom de Wehrmacht de Britten lieten ontsnappen. Was het als ‘goede daad’ bedoeld van Hitler om zo de Britse regering alsnog over te halen vrede te sluiten of kwam het omdat de Führer niet naar zijn generaals wilde luisteren.

In ieder geval sprak Winston Churchill wijze woorden toen hij zei dat een geslaagde evacuatie nog geen overwinning is.

Drie jaar geleden kwam de film over Duinkerken in roulatie. Ik was getuige van een klein detail in de wording van dat massa spektakel. We zaten gemoedelijk in het Zwolse café De Hete Brij toen daar een man naar binnen stormde op zoek naar figuranten. Een deel van de film werd opgenomen in het naburige Urk. Het zou een dag of vier duren. Mijn vriend Roy van Roeden, docent Nederlands aan het Zwolse Thorbeckecollege, stelde zich beschikbaar. Hij had de juiste lengte en zijn achterhoofd had ook de juiste proporties. Hij zou in een wankel bootje de dubbelganger zijn van de hoofdrolspeler. Later kregen we in De Hete Brij enkele details te horen, maar veel bleef in mysterie gehuld want Van Roeden had een geheimhoudingsverklaring moeten tekenen. In de eindversie was hij inderdaad te zien als je niet net op dat moment met je ogen knipperde.

Een passage in het boek is inmiddels achterhaald. Het gaat om de massamoord door de Duitsers in het Noord Franse dorpje Wormhoudt. Daar werden tachtig Britse en Franse krijgsgevangenen in een schuur naar binnen gedreven en met handgranaten afgemaakt door de Leibstandarte SS Adolf Hitler. Van geallieerde zijde is (toen) kapitein Wilhelm Mohnke verantwoordelijk gesteld. In de film Der Untergang speelt Mohnke een rol als generaal die Berlijn moet verdedigen. Mohnke werd door de Russen gevangen genomen en zat tien jaar vast. In 1955 bevrijd, probeerden de Britten hem alsnog voor het gerecht te slepen. Dat mislukte. Mohnke ontkende iedere betrokkenheid en het Westduitse gerecht vond onvoldoende bewijs van het tegendeel. Mohnke ging in auto’s handelen en werd negentig jaar. Toen Atkins zijn boek schreef waren die pogingen hem alsnog te veroordelen nog aan de gang.

Atkin, R. (1990). Pillar of Fire. Dunkirk 1940. Londen: Sidgwick and Jackson. I.g.st., hardcover. Gebonden, 256 pp., 1e druk. Met illustraties (fotokatern), bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 12,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Robert van Genechten en de zaak der Vlamingen

Robert van Genechten was van oorsprong een Vlaming die in Utrecht als jurist afstudeerde en promoveerde. Een echte geleerde die in 1918 naar Holland was gevlucht (niet als enige) omdat hem wegens collaboratie met de Duitsers een zware straf te wachten stond. In de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij opnieuw. Als NSB’er kreeg hij van Mussert hoge posten in het op Duitse leest geschoeide onderwijs.

Het boekje dat hij in 1925 schreef is rustig van toon en maakt duidelijk dat de Vlamingen in heel veel opzichten door de Frans sprekende Walen werden gediscrimineerd. Het waren (en zijn nog) eigenlijk twee apart levende gemeenschappen, samen gedreven in één land. Van Genechten verweet de Vlamingen wel karaktervastheid. Ik meen daar nog iets van te proeven (meer niet) als ik met mijn vriendin in het Vlaamse land een vakantie door breng. Maar misschien ben ik wat te veel beïnvloed door de Antwerpse schrijver Willem Elsschot bij wie dat in zijn werk (en in zijn eigen leven als zakenman) doorsijpelt. Er waren veel Nederlanders die sympathie voelden voor de Vlamingen die voor hun eigen taal (dialecten soms) en universiteiten streden.

Van Genechten was een van de eersten die eind 1945 tot de doodstraf werd veroordeeld. Dat wachtte hij in zijn cel niet af. Een dag nadat Mussert was geëxecuteerd, hing hij zich in zijn cel op. Hij had ingezien dat hij helemaal verkeerd had gehandeld en betuigde in een brief spijt. Hij voltrok dus zelf zijn vonnis.

Genechten, R. van (1925. Wat willen de Vlamingen? Amsterdam: Elsevier. Goed, 1e druk, gebonden in linnen, 142 pp., met potloodaantekeningen. Uit de collectie van Igor Cornelissen. Zeer zeldzaam, € 29,50 (incl. verzendkosten) Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 25th, 2020 by Jaap de Jong

De weg van alle vlees: Robert van Genechten op Soestduinen

Igor Cornelissen schreef onlangs een blog over Robert van Genechten en de zaak der Vlamingen. Ik herinner mij het graf van Van Genechten op Soestduinen. Ik schreef indertijd een aantal blogs over dat prachtige kerkhof, ongeveer 200 stappen gaans van mijn toenmalige huis in Utrecht.


Uit mijn dagaantekeningen van 2014.02.18

Geschiedenis leeft en zeker op het kerkhof. Ik liep vanmiddag op Soestbergen tegen het graf van Robert van Genechten aan. Hij ligt er – sinds zijn herbegrafenis in 1958 – samen met zijn zoon Frits die eind oktober 1949 een sierijzer tegen zijn hoofd kreeg en aan de gevolgen daarvan overleed. Het grafmonument maakte in eerste instantie op mij de indruk van een Boeddhabeeld. Het zit echter anders. Al in 1943 gaf Van Genechten opdracht aan de beeldhouwer en sierkunstenaar Chris Agterberg tot het ontwerp van het beeld op het graaf: een barende vrouw met een eikentak in haar hand. Germaanse symboliek.Genechten In dat jaar leed Van Genechten overigens aan een depressie en werd hij door de nazi’s op een zijspoor gezet. Robert van Genechten was een vooraanstaande NSB-er – naast Mussert en Van Geelkerken – en werd in oktober 1945 ter dood veroordeeld. In een laatste brief aan de griffier van het Bijzonder Gerechtshof betuigde hij schuld over zijn daden: ‘het is alsof ik uit een droom ontwaakt ben’ (RIOD, [1946])

Van Genechten wilde geen gratieverzoek indienen omdat zijn schuldbekentenis daardoor zijn betekenis zou verliezen en ook ‘omdat overigens de dood mij liever is dan het leven’. Hij ontliep het vuurpeloton door zich op te hangen aan de broekband van een onderbroek aan de buis van de centrale verwarming in zijn cel in Scheveningen, zo meldt het rapport van het RIOD.

Wat de geschiedenis nog interessanter maakt is het gegeven dat de uit Vlaanderen afkomstige Van Genechten ooit bevriend was met de dichter / dadaïst Paul van Ostaijen en hem rond 1919, tijdens zijn Berlijnse periode, brieven stuurde waarmee hij Van Ostaijen mogelijk op een politiek spoor zette. Die brieven waren in het bezit van Gerrit Borgers, maar zijn onlangs uitgegeven.

De brieven kan ik nog deze week bij de UB ophalen (Macht moet zijn in handen van de menschen met ethos : 5 brieven over macht en revolutie van Robert van Genechten aan Paul van Ostaijen (januari-maart 1919). Geschiedenis ligt op straat of in elk geval op het kerkhof.

november 25th, 2020 by Igor Cornelissen

Een rest keert weer….

Die drie puntjes achter de titel zeggen veel. Er kon van alles gebeuren met die rest en er was het verleden. Die kleine rest had zijn leven voor een deel te danken aan dappere Nederlanders die de Geuzenmoed (het woord is van Spitz) niet kwijt waren geraakt. Er maar was iets dat bleef en wij joden moesten vooral niet luchtig over doen. ‘Wij weten, uit duizend kleinigheden, dat het venijn doorwerkt, in de breedte en in de diepte’.

In de Engelse ontspanningsliteratuur, schreef Spitz,  bestond 90% van de woekeraars uit joden. Ongunstig volk dus. In Nederland lag het misschien wat milder, minder fel, maar toch. Uiteraard doelde Spitz (over wie ik weinig te weten ben gekomen, hij was meen ik leraar) op het virulente antisemitisme waarvan sommige historici menen dat het na de bevrijding, mede door de Duitse propaganda, sterker was dan voor de oorlog.

Spitz had zijn joods optimisme niet verloren getuige zijn motto uit Ezechiël XVI:6: ‘Ik ging aan uw voorbij, en ik zag u, wentelend in uw bloed, en ik zeide tot u: in uw bloed, leef! Ik zeide tot u: in uw bloed leef!

Een rest keert weer… Keert zich als het ware ook tegen Presser voordat die zijn standwerk over de joden en de oorlog schreef. Want Presser schreef over de ondergang van de Nederlandse joden. Maar een rest keert weer, is er nog. En laat bij tijd en wijle van zich horen. Met of zonder Ezechiël.

Het boekje dat ik jaren geleden in een Zwols antiquariaat kocht, komt uit de bibliotheek van Max Hes, ook een overlevende, die na de oorlog in textiel handelde en daarvoor een pand in de voorname Diezerstraat huurde dat van mijn oom was. Ik heb hem en een zoon vagelijk gekend. Maar dat laatste geheel terzijde.  De zoon vertelde mij een paar jaar geleden bij een lewaje (joodse begrafenis) dat hij ook had geprobeerd trompet te spelen nadat hij gemerkt had dat ik daar in Zwolle bij de dames zo’n succes mee had. De zoon heeft zijn geld ergens anders mee verdiend. Waarmee ben ik vergeten.

Spitz, J. (1946). Een rest keert weer... Aspecten van na-oorlogsch jodendom. Amsterdam: Joachimsthal. Verkleurd, matige rug. Binnenwerk prima. 85 pp., 1e druk. € 14,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 24th, 2020 by Igor Cornelissen

De man die geen miljoen bezat

De joodse Eduard Veterman (1901-1946) werd als beeldend kunstenaar opgeleid aan de Haagse Academie. Hij was een veelkunner, schreef vijftien romans en dertig toneelstukken. Hij was een bekende figuur die zich – hij had een groot talent, namelijk fantasie – populair maakte in de vooroorlogse artiestenwereld.

Bekend werd hij door zijn werk als illegaal. In zijn huis maakte hij voor onderduikers en verzetsmensen valse persoonsbewijzen. Hij werd met zijn groep in oktober 1943 verraden en kreeg de doodstraf. Die niet voltrokken werd. In mei 1945 werd hij door de Amerikanen in een Duits concentratiekamp bevrijd.

Van prins Bernhard kreeg hij de opdracht een toneelstuk te schrijven over de Binnenlandse Strijdkrachten. Terwijl hij daar mee bezig was, liet hij weten ook te zullen onthullen welke foute Nederlanders toch weer belangrijke baantjes kregen. De minister van Oorlog Fiévez liet weten dat hij maar met het schrijven van het stuk moest stoppen. Over zijn eigen oorlogservaringen schreef hij Keizersgracht 763, het huis dat hij tijdens de bezetting bewoonde. Loe de Jong heeft in zijn geschiedwerk uitgebreid gebruik gemaakt van Vetermans herinneringen aan de Nederlandse gevangenissen waar hij zat opgesloten.

Zijn toneelstuk Oranjehotel, genoemd naar de bajes waar veel verzetsmensen gevangen zaten, werd een groot succes. In 1946 kwam Veterman met zijn vrouw om bij een verkeersongeluk. Zijn auto werd geramd door een militaire truck. Geruchten over boze opzet gingen een eigen en lang leven leiden. Zijn biograaf Degenhardt kwam er ook niet uit, maar ontdekte wel dat Veterman in zijn roman over de man die geen millioen bezat, zijn eigen dood had voorspeld: door een auto ongeluk.

Veterman, E. (1929. De man die geen miljoen bezat. Amsterdam: Em. Querido. Binnenwerk goed, met roestvlekjes. Voor- en achterplat omslag matig, omslagillustratie Eduard Veterman, 246 pp., 1e druk. Uit de collectie Cornelissen. Zeer zeldzaam. Prijs afgestemd op kwaliteit voor- en achterplat € 20,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 23rd, 2020 by Igor Cornelissen

Gerard Reve en de klompen van Angus Wilson

Angus Wilson die in 1991 op 77-jarige leeftijd overleed was een productief en succesvol schrijver. Hij kon sarcastisch schrijven over de middle class waaruit hij voortkwam. Hij kon als een van de weinige schrijvers zeggen dat er nooit een manuscript van hem was geweigerd. Ook zijn eerste pennenvruchten niet. Hij was homoseksueel en kwam daar met zijn uitbundige, kleurrijke kleding al voor uit toen hij tijdens WO II in Blentchley Park met vele anderen de geheime codes van de vijand moest breken. Zijn werk was het ontcijferen van de Italiaanse marine codes.

In 1953 logeerde Gerard Reve bij hem. Of Reve hem toen heeft geopenbaard dat ook hij van de Griekse liefde was, weet ik niet. Een paar jaar leidde hun vriendschap tot een schitterende interview in Tirade. Angus Wilson woonde in een klein huisje op  platteland. Modderige streek met veel wilgenbomen. Reve had voor zijn vriend een paar klompen meegenomen die daar goed van pas kwamen. Reve wilde zijn lezers ook nog wel laten weten dat hij die klompen op de Albert Cuypstraat had gekocht. Onvermeld mocht evenmin worden dat Wilson in de oorlog een zenuwinzinking had gehad en nu nog af en toe een zenuwtrek vertoonde.

Voor de rest was het vraaggesprek uiterst lezenswaard. De liefhebber kwam veel aan de weet over zijn schrijverschap en hobbies. Wilson tuinierde graag en kon met zijn buren uren spreken over zaden en planten en alles wat de natuur aan schoons te bieden had. Dat gaf de schrijver voldoende afleiding om daarna weer een paar uur aan de slag te gaan met schrijven. Hoe hij dat deed vertelde hij graag aan Reve. De interviewer werd gastvrij ontvangen met sherry. Helaas had Wilson geen oude jenever in huis die hij in Holland had leren waarderen. Wilson was een van de eerste Britse schrijvers die zich nadrukkelijk als gay manifesteerde. Het heeft hem (net als Reve) in zijn loopbaan geen kwaad gedaan.

Michael Ayrton, die het fraaie omslag maakte, werd ook een bekende kunstenaar. Hij ontving vele prijzen en maakte behalve boekomslagen ook toneeldecors en theaterkostuums. Zijn werk hangt o.a. in de Tate Gallery en de National Portrait Gallery.

Angus Wilson (1958). The Middle Age of Mrs. Eliot. London: Secker & Warburg. I.g.st., roestvlekjes. Gebonden in linnen met stofomslag, 430 pp., 1e druk met stofomslag van Michael Ayrton. Uit de collectie Igor Cornelissen. € 19,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 22nd, 2020 by Igor Cornelissen

Ritter Jr.: “Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen.”

Beiden waren het bekende figuren in de jaren dertig: Ritter en Wijnkoop. David Joseph Wijnkoop (1876-1941) als kamerlid voor de communisten en Pierre Henri Ritter jr. (1882-1962) als radiospreker voor de AVRO zender over literatuur. Naar Ritter werd meer geluisterd dan naar Wijnkoop. De laatste was in de radiolokalen natuurlijk persona non grata en moest het hebben van vergaderlokalen.

Ritter gold als gezaghebbend in het televisieloze tijdperk. Ritter was veel meer. Hoofdredacteur van het Utrechtsch Nieuwsblad en veelspreker op volksuniversiteiten en andere instellingen die het volk wilden verheffen. Over films hield hij ook lezingen. Hij was meestal zeer mild, vond hij zelf. Tijdens de oorlog zat hij als gijzelaar een paar keer gevangen en na de bevrijding kon hij tot 1957 doorgaan met zijn radiopraatjes. In de weergave van zijn gesprek met David Wijnkoop (die deze gelegenheid aanpakt om een legende de kop in te drukken: hij studeerde nooit voor rabbijn, wel Nederlands) laat Ritter enkele malen duidelijk blijken het met de geïnterviewde niet eens te zijn. Wel is duidelijk dat hij diens intelligentie bewondert. Eerder had Ritter al een boekje geschreven over Mussert in de serie Radicale figuren. Ook van Mussert moest Ritter niets hebben. Hij liet ze aan het woord.

Uitgever Geert van Oorschot heeft Ritter eens een door en door corrupte figuur genoemd. Waarop hij dat baseerde, is niet geheel duidelijk. Mogelijk op het verhaal dat een schrijver zijn roman aan Ritter stuurde met daarin een bankbiljet van 25 gulden en dat Ritter voor de radio zou hebben gezegd: “Reeds het openslaan van dit boek was mij een waar genoegen.” Voor één ding steek in mijn hand in het vuur. Wijnkoop, hoe vurig stalinist ook, zal zeker niet met een bankbiljet hebben gezwaaid.

Over Ritter is na zijn dood vrij veel geschreven. Er is zelfs een dissertatie over hem. Wijnkoop kreeg helaas slechts een hagiografische biografie door A.J. Koejemans, na de oorlog enkele jaren hoofdredacteur van De Waarheid. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam bewaart een uitgebreid archief van Wijnkoop. Ik heb er wel eens in rondgesprokkeld. Voor zover ik weet is nog niemand bezig met een serieuze biografie van Wijnkoop. Vreemd. Maar dat geheel terzijde.

Ritter Jr., P.H. (z.j.). Over Wijnkoop. Baarn: Hollandia Drukkerij. Redelijk/goed, 47 pp., € 10,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. een autobiografie?

november 21st, 2020 by Igor Cornelissen

De vlotte pen van krantenman Sem Davids

Clemenceau, bekend als Le Tigre. Hij was een bekend Frans staatsman die roem verwierf omdat hij als regeringsleider in 1918 de definitieve overwinning op de Duitse troepen mag vieren. Ik heb eens in zijn museum in Parijs rondgewandeld. Wat me vooral bijbleef is zijn enorme hoefijzervormige bureau. Ik ben ook eens bij Drees thuis geweest aan de Beeklaan in Den Haag. Daar was alles veel nederiger.

Sem Davids (1867-1969) was de zoon van een Amsterdamse juwelier. Na een studie rechten begon hij zijn loopbaan als journalist bij Het Vaderland maar ging in 1922 naar de buitenlandredactie van De Telegraaf. Tot hij daar in 1940 als jood werd ontslagen. Hij schreef vlot en dat is aan zijn boek over Clemenceau te merken. Davids ging door met schrijven toen hij ondergedoken zat in Grouw. In juli 1942 schreef hij onder de schuilnaam De Bruin een gedicht ‘Afscheid der Joden van Nederland’ dat Jaap Meijer nadien nog eens onder de aandacht bracht.

In 1945 werd hij redacteur van de Groene Amsterdammer. Was Davids communist? In ieder geval schreef hij voor de oorlog onder pseudoniem in Politiek & Cultuur, het theoretisch orgaan van de CPN. Het is moeilijk voorstelbaar dat er een buitenstaander tot de kolommen zou zijn toegelaten. Zeker niet tijdens het leven van Stalin, die de status van heilige had. De Groene Amsterdammer is na de oorlog uitgemaakt voor een blad van fellow travellers, sympathisanten van het communisme. In ieder geval waarschuwde prof. J. Barents bij wie ik college liep tegen het blad. Maar Barents was, zo kwam ik veel later te weten, talent scout voor de BVD.

Terug naar Clemenceau die boeken schreef en graag reisde, zoals naar de Verenigde Staten en zijn geliefde Griekenland. In zijn jonge jaren legde hij zichzelf een ijzeren discipline op; om vijf uur opstaan, een uur gymnastiek en daarna lezen, zonder ophouden. Hij was eigenlijk al een groot man zonder de loopgraven van de eerste Wereldoorlog.

Davids was en bleef een krantenman. Toch jammer dat Davids niet meer boeken heeft geschreven.

Davids, S. (z.j.). Clemenceau. Kopstukken uit de twintigste eeuw. Den Haag: Kruseman. i.z.g.st., 93 pp., met bibliografie. € 9,95 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijvoorbeeld over geschiedenis.

november 20th, 2020 by Jaap de Jong

God in Veenendaal: de Koksiaanse en de Kersteniaanse God – Op bergen en in dalen

Gisteren sprak ik mijn oude schoolmeester Wim Kok, eind jaren zestig onderwijzer aan de Johannes Calvijnschool in Veenendaal. Daarna was hij nog lang docent aan het Ichthuscollege. Hij gaf les in de vakken geschiedenis, Engels en biologie. Wim Kok was altijd aan het leren en gaf ook na zijn pensioen de pijp niet aan Maarten. In de jaren zestig was hij vóór het Nieuwe Leren (de natuur in, dia’s tonen, interviews met oud-verzetslieden in de klas). Hij was een buitenbeentje op de Johannes Calvijnschool. In de jaren negentig was hij tegen het Nieuwe Leren: “Ik ben geen coach, maar cultuuroverdrager”, zei hij tegen mij. Hij studeert op dit moment theologie in Apeldoorn. Bij onze ontmoeting stond Wim Kok in zijn tuin te werken, prees intussen God en maakte het woord van Voltaire waar: een man moet zijn tuin onderhouden. Ik stopte, stapte uit en vroeg hem hoe het hem verging. Hij begon te spreken en hield niet meer op.

Wim Kok is de kleinzoon van de predikant Reinier Kok (1890-1982) die – vanwege de plaatselijke scheuringen – mede aan de basis stond van dertien keer gereformeerd in Veenendaal. Hij was een rechtvaardig man die Joden verborg en ds. G.H. Kersten (1882-1948) tegensprak. Onder de preekstoel en op andere plekken in het dorp liet hij Joden onderduiken. Henri Kersten – de Kuyper van de kleinere luyden – liep ooit mokkend van hem weg na een conflict over het Joodse meisje Mirjam de Groot. Kok wilde haar – verhuld als Nederlandse – op de Veenendaalse Johannes Calvijnschool laten leren. Volgens Kersten kon ze wel naar Westerbork. Reinier Kok werd na een langlopend conflict in 1950 afgezet. Tussen 1950 en 1956 vormde Kok met zijn getrouwen een Gereformeerde Gemeente buiten verband en kerkte in een apart gebouw (Pniëlkerk). In 1956 sloot de gemeente van Reinier Kok zich aan bij het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Er bestond plaatselijk al een Christelijke Gereformeerde Kerk (Bethelkerk), maar die was qua ligging ‘lichter’ en kwam – anders dan de Pniëlkerk – voort uit de landelijke afscheidingsbeweging (1934) onder De Cock. Voordat een kerkganger van Bethel tot Pniël kwam, moest er wel wat gebeuren. Dat ging niet zonder slag en stoot. De Gereformeerde Gemeente scheurde in 1953 nogmaals in tweeën en in december 1980 nog eens. Met Mirjam de Groot liep het beter af. Mijn schoolvriend Gerard van Deelen vertelde mij in 1973 onder de Veenendaalse kastanjeboom aan de Kerkewijk (tegenover Prummel Optiek) hoe zijn vader Barend als jongetje de oorlogsdagen doorbracht met de ondergedoken Mirjam de Groot. In 1979 zou Mirjam, die inmiddels in Israël woonde, Barend van Deelen nog eens bezoeken.

De SGP-voorman en predikant Henri Kersten meende dat het Duitse gezag na de overgave de nieuwe, van God gegeven, orde vormde. Zijn woning stond in mei 1940, na het bombardement op Rotterdam, op instorten, maar toch vond hij het “een goddelijke genade dat hij voor Gods recht buigen mocht en Hem te midden van de oordelen aanbidden kon”. God zou zich tegen Nederland hebben gekeerd. Na de inval van de Duitsers was Juliana op zondag het land ontvlucht en dat gegeven viel volgens de opvattingen van Kersten ook onder de ontheiliging van de zondagsrust.

Henri Kersten was de man van het korte geheugen. In 1932 had hij zijn eigen zondagswet overtreden en dat was uitgekomen door de oplettendheid van de lutherse predikant ds. B. E. J. Bik. Bik las in de krant dat Kersten zondagmiddag om vijf uur zou preken in Gouda en ’s avonds om halfacht in Stolwijk. Hij vroeg zich af of zijn collega te voet van Gouda naar Stolwijk zou gaan. Bik kon dat nauwelijks geloven, want Kersten preekte lang en de wandeling duurde wel anderhalf uur. Hij besloot de predikant te volgen en ontdekte dat deze na afloop van de middagdienst naar een donker hoekje in de Goudse binnenstad liep. Daar stond de auto met chauffeur Jan Gerrit Deelen te wachten, die hem naar Stolwijk reed. Mijn vriend Willem Bouwman – die deze geschiedenis beschreef – liet mij jaren geleden de foto zien van de auto waarin Kersten zijn zondagsrit maakte [zie update, hieronder].

Toen ik in 1969 op de Johannes Calvijnschool op de Duivenwal kwam was er nog een duidelijk verschil tussen de Kersteniaanse en de Koksiaanse God. De Kersteniaanse God had 1001 ogen en volgde je overal. Hij ging tot op het bot en er was geen ontkomen aan: je voelde, neen, je wist je een worm, geen mens. De Kersteniaanse God had op de Calvijnschool verschillende meesters en juffen in dienst. Maar er was ook een Koksiaanse God bij wie Wim Kok en juffrouw Schot dienden. Juffrouw Schot gaf enorm hoge cijfers en zij leerde ons het lied Op bergen en in dalen. Het is als lied VII opgenomen in de gezangbundel van de Hervormde Kerk, De Evangelische Gezangen (1806). Vooral het tweede couplet zong ik uit volle borst (“Hij hoort de jonge raven/Hij heeft voor ’t groot heelal/Heeft zelfs voor wormen gaven/en bloemen voor het dal”). Die regels over de wormen en de bloemen gaven mij veel lucht en ook zag ik mijzelf wel zitten als een jonge raaf.

Het lied Op bergen en in dalen was gecomponeerd en bewerkt door Christoph Christian Sturm (1740-1786), theoloog en gepromoveerd filosoof. Het lied werd vertaald door Ahasuerus van den Berg (1733-1807). Sturm was beroemd vanwege zijn Reflections on the Works of God in Nature. Dat werk behoort tot de zogenaamde fysicotheologie, een vorm van theologie die in de achttiende eeuw populair was, bijvoorbeeld bij de doopsgezinde predikantenopleiding waar ook een zgn. fysisch kabinet of natuurkundig laboratorium aanwezig was. Het godsbestaan werd bewezen vanuit de pracht & harmonie van de natuur. Het is nooit als zodanig benoemd, maar ik vermoed dat het godsbeeld van de aanhangers van de fysicotheologie een weinig verschilt van het pantheïsme. Ludwig Beethoven, wiens spiritualiteit als pantheïstisch wordt getypeerd, had een exemplaar van de Reflections on the Works of God in Nature dat door hem zwaar was geannoteerd. Het boek van Sturm inspireerde Beethoven ook bij het schrijven van de Zesde Symfonie (Pastorale). Die Zesde Symfonie was overigens mijn eerste eigen muzikale aanschaf. In mijn ouderlijk huis doorbrak ik daarmee het monopolie van de man die altijd vol op het orgel ging: Feike Asma (1912-1984), ook al weer jaren dood.

De revolutionaire predikant L.G.C. Ledeboer (1808-1863), stichter van de Ledeboeriaanse gemeenten (één van de bloedgroepen van de huidige Gereformeerde Gemeenten), wierp in 1840 in jeugdige overmoed de bundel Evangelische Gezangen en de bestuursreglementen van de kansel. Daarna begroef hij de bundels in de tuin van de pastorie in Benthuizen en verliet net als de eerder afgescheiden Hendrik de Cock (1801-1842) uit Ulrum de Hervormde Kerk. Ik kwam niet lang geleden langs het huis van Ledeboer en moest de neiging onderdrukken in de tuin te gaan graven om de gezangenbundel te vinden. Ondanks de afkeer van Ledeboer bleef de bundel Evangelische Gezangen in gebruik, ook bij afgescheiden Cocksianen en Ledeboerianen in al hun varianten (waaronder dus de 20e eeuwse Koksiaanse en Kersteniaanse navolgers)

Als jongetje kon ik het niet onder woorden brengen, maar nu weet ik dat de Cocksiaanse & Koksiaanse God mij dankzij juffrouw Schot van de Veenendaalse Johannes Calvijnschool beter beviel dan de Ledeboeriaanse & Kersteniaanse God. Hij was op de bergen en in dalen, in de bloemen, bij raven en zelfs bij de wormen. Overal, behalve dan begraven in zwarte grond. Een jaar later verruilde ik gedwongen de Johannes Calvijnschool voor de dr. C. Steenblokschool. Het was de tijd van de ayatollah’s en haviken als Khomeini waren er ook in Veenendaal. Het kon niet streng genoeg. Er moest en zou een nieuwe school komen, gereformeerder dan Johannes Calvijn. Op de in 1972 gestichte dr. C. Steenblokschool bleef het heel stil. Er klonk geen lied. Er klonk niets meer: niet op de bergen en niet in de dalen. Nergens meer.

Dit alles terzijde uiteraard.

Evangelische Gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbare godsdienst in de Nederlands Hervormde Gemeenten gebruikt te worden op uitdrukkelijke last van alle de Synoden der voornoemde gemeenten bijeen verzameld en in orde gebragt in de jaren 1803, 1804 en 1805 (1806). Amsterdam: Johannes Allart. Niet meer beschikbaar, behalve digitaal.

Wèl bij ons te koop: nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over godsdienstwetenschap en theologie.


Update 22.11.2020: De kleinzoon van de chauffeur Jan Gerrit Deelen [naam aangevuld in tekst], die Henri Kersten van Gouda naar Stolwijk vervoerde, liet mij weten dat hij het verhaal uit familiekring kende. Hij was benieuwd naar de foto met Henri Kersten en zijn grootvader Jan Gerrit Deelen. Willem Bouwman schreef mij zojuist dat het hoogstwaarschijnlijk om een samenvoeging van twee afzonderlijke gebeurtenissen gaat. Er is géén foto van de zondagsrit, maar wel eentje van Henri Kersten naast een auto tijdens zijn reis naar Amerika.

Hoe men de kiezers voorlicht. Friesch Dagblad, 24 juni 1933. Geraadpleegd op 20 november 2020 op de krantendatabank Delpher


november 20th, 2020 by Igor Cornelissen

Men had beter kunnen weten ofwel de tocht der dwaasheid

Barbara Tuchman was geen historica, maar ze schreef zo boeiend dat ze erg veel lezers kreeg. Erkenning kreeg ze vanwege de Pulitzerprijs. Ze is in veel talen vertaald. Het eerste boek dat ik van haar las ging over de Amerikaanse generaal Joseph Stillwell die in China opereerde.  Het speelde zich af in de jaren dat nog niet duidelijk wie als overwinnaar uit de strijd zou komen: de communist Mao Tse Toeng of zijn tegenstander Tsjiang Kai Sjek die van de Amerikanen financiële en militaire hulp kreeg. Stillwell, die Chinees sprak (al konden veel Chinezen hem moeilijk verstaan), zag het mis gaan. Het regiem van Tsjiang Kai Sjek was vergeven van en leunde op corruptie. Stillwell, die omdat hij vaak nogal zuur keek Vinegar Joe werd genoemd, rapporteerde dat aan zijn regering die er weinig mee deed. De strijd tegen de communisten had de voorrang.

Ook in the March of Folly is het thema: men had beter kunnen weten. In Troje had men het houten paard beter moeten bekloppen en in Vietnam, dat weet nu iedereen, stortten de Amerikanen zich in een heilloos avontuur. Ze hadden van de Fransen kunnen en moeten leren: die hadden ervaring in Indo China.

Niet minder lezenswaard is de bijgevoegde recensie door André Spoor uit  de NRC Handelsblad. Spoor, afgestudeerd theoloog, maar als journalist opgeklommen tot hoofdredacteur van NRC Handelsblad had nogal wat kritiek op Tuchman. Volgens hem maakte ze niet duidelijk waarom politieke leiders volharden in hun hoogmoed. In zijn recensie heeft hij tussen haakjes (…) een opmerkelijke passage opgenomen. Spoor vertelt dat op zijn bureau een penning staat ter ere van de Nederlandse legercommandant in Nederlands Indië tussen 1945 en 1949. Op de penning staat een Nederlandse soldaat afgebeeld die vreedzaam op het land werkende inlanders beschermt. Wat heeft dat met Tuchman te maken? Niets. Maar die legercommandant was generaal Spoor, de vader van de journalist. Ik heb André Spoor slechts enkele malen ontmoet. Tijdens een van die gesprekken vertelde hij mij dat hij van plan was geweest de biografie van zijn vader te schrijven. Hij zag ervan af daar hij vreesde dat hij onvoldoende objectief zou zijn. Een verstandig besluit.

Tuchman, Barbara W. (1984). The March of Folly. From Troy to Vietnam. New York: Albert A. Knopf, 1984. I.g.st.. Gebonden, XIV, 448 pp., 1e druk. Met illustraties, met bibliografie en noten. Uit de collectie Igor Cornelissen. Met krantenknipsels. € 17,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 19th, 2020 by Igor Cornelissen

Een mislukt diplomaat, maar een uitstekend schrijver: Lord Vansittart

Robert Gilbert Vansittart (1861-1957) – inderdaad met Nederlandse voorouders – kwam al jong op Foreign Office van Great Britain (Buitenlandse Zaken) terecht. Daar maakte hij een glanzende carrière door. Zijn grote liefde voor Frankrijk (hij was o.a. gestationeerd in Parijs) was mede door oorzaak van een sprankelende hantering van het Frans. Iets dat van weinig hoge Britse diplomaten kon worden gezegd.

Vansittart diende vele heren. Niet altijd tot zijn genoegen. Ze luisterden wel altijd naar hem, maar deden er weinig of niets mee. Hij was in de jaren dertig een fel tegenstander van dat deel van de bourgeoisie dat met Hitler aanpapte, hem althans tevreden wilde stellen. Neville Chamberlain, de baas van het Foreign Office stond daar absoluut niet alleen in. Vansittart had al vroeg door dat de nazi’s op gebiedsuitbreiding uit waren. Ten koste van alles. De Labour aanhang stond niet alleen toen ze tegen opvoering van de bewapening was.

Vansittart bestempelde zijn professionele leven als een mislukking. Gelukkig schreef hij een uitmuntende autobiografie die een helder licht werpt op de manier van denken en handelen toen Groot-Brittannië nog een wereldrijk was. De Union Jack wapperde in alle werelddelen en het leek erop alsof dat altijd zo zou blijven. Het wereldrijk had, alsdus de schrijver, twee wereldoorlogen kunnen voorkomen als het zich eerder had bewapend. Vansittart beschrijft dat met een buitengewoon rijk taalgebruik en dat verbaast niet als men weet dat hij ook romans, gedichten en toneelstukken schreef. Hij was een groot vriend van Alexander Korda, de van origine Joods-Hongaarse filmregisseur Alexander Korda, die op het landgoed van Vansittart niet alleen zijn gang kon gaan maar ook door hem financieel werd gesteund (de schrijver noemt hem slechts eenmaal terloops).

Ik kwam slechts één misser tegen. Als Vansittart het over de Rijksdagbrand van 1933 heeft noemt hij Marinus van der Lubbe een perverse halve dwaas en de brand een opzetje van de nazi’s. Maar misschien mag men zelfs van zo’n hoge diplomaat niet verwachten dat hij wist dat de werkloze Leidse metselaar een radencommunist was die een (mislukte) poging deed de Duitse arbeiders tot massaal verzet tegen Hitler aan te zetten.

Bij het boek een tweetal Nederlandse recensies. Eén uit de NRC, de ander door H.A. Lunshof, hoofdredacteur van Elsevier die het betreurt dat Vansittart ook na 1945 nog fel anti-Duits bleef. Inderdaad zou Vansittart er zich over hebben verbaasd dat Duitsland nu de meest betrouwbare, democratische en sterkste staat van Europa is.

Vansittart, Robert (1958). The Mist Procession. Autobiography. Londen: Hutchinson. I.g.st., gebonden in linnen met stofomslag, 568 pp., 1e druk. Gaaf exemplaar. Niet meer beschikbaar.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 18th, 2020 by Igor Cornelissen

“U denkt toch wel aan het instituut, meneer Cornelissen”. Over het IISG en het anarchisme

Al droeg hij dan de titel van prins, als een heilige is Peter Kropotkin (1842-1921) door de anarchisten nooit geëerd. Niet als heilige, maar wel als voorman. In de hoogtijdagen van het Nederlandse anarchisme, ruwweg 1870-1900, werd hij veel gelezen en aangehaald. Anarchisten (en communisten, socialisten) vereren wel mensen, maar tot een bijna goddelijke status kunnen ze het onmogelijk brengen. De beweging was in origine nu eenmaal sterk anti-kerkelijk zoals ze ook tegen Kroeg en Kapitaal was. Drie keer K dus.

Kropotkins vader  was de eigenaar van 1200 mannelijke lijfeigenen en ongeveer evenveel vrouwen. Zoon Peter, van beroep geoloog en geograaf, was tegen lijfeigenschap. Via een nichtje kwam prins Peter Kropotkin in aanraking met democratisch geschriften, zoals die van Alexander Herzen.

Wie over zijn leven meer wil weten leze zijn boeiende gedenkschriften. Vele malen zat hij gevangen. Hij was een echte doener en niet alleen theoreticus. Tijdens een bezoek van een week aan Zwitserland in 1872 bezocht hij een vergadering van horlogemakers. Hij leerde er anarchisten kennen.  ‘En toen ik uit de bergen kwam na een week bij de horlogemakers te zijn geweest, had ik mijn mening gevestigd. Ik was anarchist.’ Weinigen weten nog dat Zwitserland ooit een broeinest was van revolutionaire arbeiders en sympathisanten. Ook zonder die koeienbellen en koekoeksklok is het land historisch van belang. Toen Kropotkin een paar jaar later vastzat in een vochtige cel in de Petrus en Paulsvesting dreigde hij er onder door te gaan. Een arts wist te bewerkstelligen dat hij af en toe een wandeling mocht maken op de binnenplaats. Kropotkin zag dat af en toe de poort open ging om hout binnen te brengen. Via een ingenieus plan wist hij te ontsnappen. Daar was een violist voor ingehuurd die buiten de poort zou spelen. Als hij met zijn spel stopte was de kust veilig. Buiten stond een rijtuig klaar. Kropotkin ontsnapte. Dat waren de tijden dat de (plannen tot) revolutie nog een romantisch tintje hadden. Drones hebben inmiddels de plaats van violen ingenomen. Kropotkin stierf in communistisch Rusland en de heersers van toen hadden nog net genoeg eerbied voor deze voorganger dat ze hem een staatsbegrafenis gunden. De familie van Kropotkin, die een fel tegenstander van Lenin c.s. was, weigerde dit. Zijn begrafenis was de laatste gelegenheid waarbij anarchistische en anti-bolsjewistische leuzen werden meegedragen. Er bestaat een filmpje over die gebeurtenis dat op Youtube te zien is. Indrukwekkend.

Ik kreeg het boek van een oude revolutionair. Het was in slechte staat. In die tijd (1963, denk ik) bezocht ik voor het eerst het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Maria Hunink, afkomstig uit een katholiek fabrikantengeslacht uit Wijhe (vleesverwerking), was er de gedreven bibliothecaresse die mij, toen ik haar vertelde van mijn correspondentie met oude socialisten op nogal dwingende toon vroeg: “U denkt toch wel aan het Instituut, meneer Cornelissen.’

Daar dacht ik aan en toen ik enkele brieven had geschonken, vroeg ze heel lief of het Instituut iets voor mij kon doen. Ik bracht enkele gehavende boeken en brochures en die werden uitstekend gerestaureerd. Ze hadden op het IISG voortreffelijke boekbinders in dienst.

Toen Maria Hunink overleed ben ik naar haar begrafenis in Wijhe geweest. Op de r.k. begraafplaats. Arthur Lehning (ze had hem jarenlang gediend bij zijn uitgave van  werken over Bakoenin, de andere grote anarchist) sprak een gedenkrede uit. Er was weinig van te verstaan want een onbarmhartige regenbui kletterde op paraplu’s, maar ik hoorde wel steeds het woord Oeuvre, Oeuvre, want Arthur had het vooral over zijn eigen werk. Voor de uitgave van de wetenschappelijke uitgave was Maria Hunink onmisbaar geweest.

Ik dacht daar in Wijhe even aan Kropotkin en aan zijn, dankzij Maria, vakkundig gerepareerde  Gedenkschriften.

Kropotkin, P. (z.j. [ca.1902]). Gedenkschriften van een revolutionair. Met een voorrede van George Branders. Utrecht: W. Leijdenroth van Boekhoven. Redelijk, verkleurd omslag & papier, herstelde titelpagina en band. X, 387 pp., 1e druk. Met illustraties, vertaling Annette Dyserinck (uit het Engels). Uit de collectie Igor Cornelissen. Met portretfoto's. 2 delen in een band. Zeldzaam exemplaar (in deze uitgave). € 33,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 17th, 2020 by Igor Cornelissen

Thomas Fats Waller: “Hij kon het spelen niet laten”

Thomas ‘Fats’ Waller (1904-1943) was in de jaren dertig een van de beste, bekendste en meest geliefde jazzpianisten in Amerika. Hij was met zijn leermeester James P. Johnson één van de uitvinders van de stride stijl. De rechterhand speelt eerst de melodie en improviseert daarop, terwijl de linkerhand op een soort hoempa manier het ritme aangeeft. Zijn vader was predikant en de zoon begeleidde hem. Op het orgel. Daar leerde hij muziek spelen. Als het er niet al is, zit er een mooi boek in de jazzpianisten die hun eerste muziek in de kerk speelden.

Fats Waller was populair met zijn liedjes die wereldwijd over de radio te horen waren. En wie geld had bezocht een club waar hij met zijn bolhoed en een fles whiskey het publiek door de sombere  crisisjaren na 1929 wist heen te slepen. Op een paar filmpjes op Youtube is nog altijd te zien hoe de altijd vrolijke man met muziek, ogen en forse wenkbrauwen het publiek in vervoering brengt. Waller was een begenadigd componist; Honeysuckle Rose, Black and Blue, Ain’t Misbehavin’ staan nog steeds op het repertoire van iedere zichzelf respecterende jazzband. Een ode aan zijn jeugd of aan zijn vader? Af en toe speelde Waller nog op het orgel. Er zijn platen van.

Soms verkocht hij zijn composities voor een paar tientjes. Een ander streek dan met de eer, maar Waller had vaak geld nodig. Niet alleen voor de enorme porties eten die hij aan kon en de gin die naar binnen gleed, maar ook voor zijn alimentaties.

Een vriend vertelde mij hoe hij als jonge knaap door een oudere dame was verleid en niet alleen met geschonken wijn en het draaien van plaatjes van Fats Waller. Al kom je zo wel in een goede stemming. Thomas Fats Waller zou het verhaal schitterend hebben gevonden. Helaas werd hij niet oud. Zijn arts had hem gewaarschuwd. Hij kon het eten en drinken niet matigen, net zo min als het spelen. Een van zijn nummers heet dan ook Handful of Keys.

Joel Vance (1979). Fats Waller. His Life and Times. London: Robson Books. I.g.st., hardcover. Gebonden, 179 pp., 1e druk. Met illustraties en bibliografie. € 15,50 (incl. verzending). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 16th, 2020 by Igor Cornelissen

Een dochter eert haar vader: Sarah over Churchill

De literatuur over de grote staatsman Winston S. Churchill is onuitputtelijk. De man was over een zeer lange periode politiek actief en velen hebben hem geportretteerd. Tot zelfs zijn vaste arts toe, die er moeilijkheden mee kreeg omdat het als ‘te privé’ werd beschouwd. De boeken over Churchill als politicus (niet allemaal positief) zijn legio, maar Sarah beschrijft hem als vader. Ze lagen nogal eens dwars.

Sarah was toneelspeelster en ze dronk erg veel. Dat deed vader Winston ook, al waarschuwde hij zijn dochter wel: zorg er voor dat jij de baas blijft over de alcohol en niet omgekeerd. Die goede raad werd niet altijd opgevolgd. Ik herinner me een foto dat Sarah staande wordt gehouden door een agent omdat ze in dronken staat een auto bestuurde. Die foto staat uiteraard niet in dit boekje. Wel een mij onbekende foto van Churchill en president Roosevelt in Yalta, vergezeld door hun dochters. Sarah draagt een militair uniform. En Sarah is er ook bij als die staatslieden met Stalin vergaderen.

Uit het boekje spreekt veel liefde voor haar vader en moeder. Aan haar moeder droeg ze deze bijdrage aan een meer volledig beeld van haar vader op.

Churchill, S. (1967). A Thread in the Tapestry. Londen: Andre Deutsch. I.g.st., hardcover. 101 pp., 1e druk. Met illustraties, prima exemplaar € 13,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, ook over Churchill.

november 15th, 2020 by Igor Cornelissen

Kunst uit huize Israëls

Jozef Israëls (1824-1911) werd in een joods gezin in de stad Groningen geboren. Zijn vader was een kleine commissionair in effecten. Jozef trok al vroeg naar Amsterdam. Het zou nog jaren duren voor Groningen een kunstzinnig centrum werd. Dat kwam dan vooral, veel later, door de groep van De Ploeg.

Israëls was één van de eerste schilders die, aangetrokken door het impressionisme en modernisme, naar Parijs ging. Van Gogh bewonderde hen. Zelf werd hij beschouwd als één van de grondleggers van de Haagse school. Schilderijen van dat genre worden regelmatig aangeboden op veilingen tegen schappelijke prijzen. Jozef Israëls is veel duurder. En dat was tijdens zijn leven al zo. Wie kon zijn werk betalen? Toen ik de biografie van de communiste en kunstcritica Mathilde Visser schreef, ontdekte ik dat er bij haar ouders rond 1900 al schilderijen van Breitner en vader en zoon (Isaac) Israëls hingen. De ouders van Mathilde waren zeer bemiddeld. Kunst was altijd iets voor de happy few en dat is zo gebleven. Helaas.

Tegelijk is het curieus dat Jozef Israëls, nadat hij zich permanent in Den Haag vestigde, vaak naar Katwijk en Scheveningen trok om daar het (arme) vissersleven uit te beelden. Met enige overdrijving kun je zeggen dat vader Israëls met penseel en doek uitbeeldde wat later Herman Heijermans met de pen beschreef in Op hoop van zegen. Vader Jozef hielp zijn zoon Isaac Israëls in de eerste fase van zijn werkzame periode. Hij schreef ergens dat hij hoopte dat de zoon met hulp van de Heere een betere schilder zou worden dan hij zelf was.

In 1879 werd Jozef Israëls ridder in de Kroonorde van Italië. Die toevoeging is natuurlijk van geen enkel belang, maar het klinkt sierlijk. Of er veel Nederlanders zijn geweest die deze Kroonorde hebben mogen dragen, weet ik niet. De antiquaren in Het Wasdom opteren slechts voor het ridderschap in de Orde van de Kousenband. Dit laatste uiteraard geheel terzijde.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. over kunst, waaronder het schitterende boek over de schilderkunst van Jozef Israëls, inmiddels een klassieker.

november 13th, 2020 by Igor Cornelissen

Abba Eban geloofde niet in wonderen, maar wel in Israël

De in Zuid Afrika geboren Abba Eban was voordat hij in 1966 minister van Buitenlandse Zaken van Israël werd vele jaren Israëls permanente vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. Hij was lid van de Mapam, de socialistische arbeiderspartij en werd gerekend tot de ‘duiven’. Het onderhandelen nam hij serieus en dus ook de mogelijkheden om tot vrede met de Arabische staten te komen. Er bleek weinig mogelijk. Eban geloofde niet in wonderen, maar het blijft verbazingwekkend hoe hij de tijd vond deze zeer leesbare geschiedenis in zijn vrije uren te schrijven. Hij schrijft nuchter en begint al met de mededeling dat het ontstaan van zijn volk schemerig is. Feiten en legenden zijn verweven tot een onontwarbaar geheel. Maar als er feiten zijn dan meldt hij die ook. Zo is en blijft voor hem Jezus een jood in woord en daad. Pas geleidelijk werd het christendom een godsdienst voor niet-joden. En zonder Paulus zou dat niet zijn gebeurd.

Bij Eban wisselen zich de hoogtepunten (grote filosofen, historici en andere geleerden) zich af met neergang en afslachtingen waarbij uiteraard de massamoord tussen 1940-1945 de nodige aandacht krijgt. Dat Eban voor de oorlog in Engeland heeft gestudeerd, is duidelijk te merken aan zijn geschiedschrijving: beheerst en duidelijk. Interessant, want vrijwel vergeten, is zijn beschrijving van het wantrouwen dat de overlevende joden na 1945 beheerste. Ze wilden niet in Polen of Duitsland blijven. Dat hun ouders en andere familie massaal was vermoord, kwam omdat ze geen eigen land hadden waarheen ze hadden kunnen vluchten. Daarom ‘moest er een eigen staat komen. Vanaf zijn vroege jeugd was Eban zionist. Zijn talenkennis (o.a. Arabisch) maakte hem tot een gezaghebbend politicus.

Vrijwel vergeten is ook dat in de jaren 1945-1948 de Labour regering misschien niet anti-joods was maar wel tegen de oprichting van die eigen staat. Ernest Bevin, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, uitte zich zacht gezegd uiterst onvriendelijk over de plannen voor een eigen staat.  In Nederland was de PvdA heel blij dat er in Londen een zusterpartij de macht van Churchill overnam. Maar hoe er binnenskamers bij de PvdA over Bevin werd gedacht, zou nog eens beschreven moeten worden. Dat laatste terzijde, want daar gaat Ebans boek niet over.

Eban, Abba (1971). Mijn volk. De geschiedenis der joden. Amsterdam/Antwerpen: Keesing. I.g.st., gebonden in blauw linnen met smoezelig stofomslag. Roestvlekjes. Gebonden, 440 pp., met illustraties (fotokatern met o.m. afbeeldingen uit Amsterdam). Uit de collectie Igor Cornelissen € 14,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong, bijv. judaica

november 12th, 2020 by Jaap de Jong

Geschiedenis van Overijssel

Onlangs werd ik vereerd met het lidmaatschap van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG), een eerbiedwaardige vereniging die in 1858 in Zwolle werd opgericht. Vanaf 1860 geeft de VORG een bundel uit met interessante opstellen, de Overijsselse Historische Bijdragen.

In die bijdragen staan opstellen die voor de lokale geschiedenis zeer de moeite waard zijn. Voor Zwolle trof ik bijvoorbeeld eerder opstellen aan over de achtergrond van de schitterende preekstoel in de St. Michaëlskerk, de uitgever-drukker en catechismeermeester Berent Hakvoort, over godsdienstige conflicten in de Reformatietijd en wat al niet meer. Prachtig voor de fijnproever die het naadje van de kous wil weten en/of verder wil breien.

In het nieuwste nummer van de Overijsselse Historische Bijdragen staat onder meer een opstel over de taalgeschiedenis van Overijssel (Harrie Scholtmeijer). Interessant om te lezen hoe de anywheres (de niet-plaatsgebonden elite) in staat waren om het dialect van de somewheres volledig weg te vagen. Aan de andere kant was de elite ook zeer betrokken bij het conserveren van het Overijsselse (en plaatselijke) dialect, zoals bijvoorbeeld Karel Diederik Schönfeld Wichers (1901-1993)  – Karel van ‘n notoaris oet Riessen – en de Hengelose doopsgezinde predikant Anthonie Ballot (1836-1871).

Andere bijdragen gaan over grafveld en de trechtbekercultuur (Henk van der Velde), uitgevers en drukkers (Kees Leeffers, Georg Hartong en Henk Nalis), kaarten en mappen (Clemens Hogenstijn), de inspanningen van Egbert Tobi ten behoeve van de zedelijke verbetering van gevangenen (Cees Houtman), minvermogenden in Kampen (Iet Erdsieck), de textielindustrie (Joan H. Beune) en het boeiende verhaal van twee broers die een leven lang strijd voerden over gemaakte keuzes in de oorlog (Martin van de Linde). Het jaarboek besluit met de literatuursignalementen.

Het lidmaatschap van de vereniging geeft recht op de ontvangst van de Overijsselse Historische Bijdragen. U kunt op de website van de vereniging meer vinden over dat lidmaatschap.

Tot slot kan ik het niet nalaten te wijzen op de overzichtslijst van de Overijsselse Historische Bijdragen (1860-2007). Een aantal van de opgenomen artikelen zijn fulltext beschikbaar op de website van het Historisch Centrum Overijssel (HCO).

Als historicus en antiquaar ben ik natuurlijk zeer geïnteresseerd in materiaal betreffende de  geschiedenis van Overijssel (en Zwolle). Mail ons of neem anderszins contact op bij een geschikt aanbod.

november 12th, 2020 by Igor Cornelissen

Heijermans, het antisemitisme en de sjabbessoep

Vroeger was Jaap Meijer er druk mee: antisemitische passages opsporen bij bekende of minder bekende auteurs. Tijdens een interview verraste hij mij toen hij mij dergelijke passages toonde bij Menno ter Braak. ‘Dat had je niet verwacht, he?’ Nee, dat had ik niet verwacht.

Bij een reeks predikanten-schrijvers uit de 19e eeuw had Jaap ze voor het oprapen. En als de stukjes tekst niet van jodenhaat getuigden dan kwamen de joden er toch wel in voor als opvallend, vreemd sprekend, niet geheel betrouwbaar of (iets milder) uiterst gewiekst in de handel. Je moest in ieder geval altijd een beetje uitkijken met ze.

Tegenwoordig is Ewoud Sanders een bekwaam opvolger van Jaap Meijer, Hij verzamelt en bespreekt christelijke kinderboeken waarin joodse jongens en meisjes zich laten bekeren of dwars blijven liggen. De zending had het er druk mee. Sommige van die boekjes blijken nog in de handel te zijn.

Sabbath van de joodse (dat moet er bij) Herman Heijermans is niet van hetzelfde laken een pak, maar wekt wel bevreemding. In het afstotende  stijltje van de Tachtigers, doorspekt met jiddische woorden, zit een gezin  te genieten van de shabbessoep. Van een soepkip dus. ‘IJvrig op ‘t vlak van de tafel dekte nu Bekkie, handen in rap gebeweeg over schalen.’

Van joodse zelfhaat was bij Heijermans geen sprake: de joodse Esther de Boer – van Rijk liet hij niet voor niets jarenlang de rol van Kniertje met het pannetje soep in Op hoop van zegen spelen.

Eigenlijk wil je als je het leest daar niet tussen zitten. Kenners wisten dat het wel realiteit was in de van armoe walmende buurten waar gebrek aan alles was. Die buurt werd al lang voor de Tweede Wereldoorlog afgebroken. Heijermans schrijft levendig en was en blijft onze beste toneelschrijver.

De vis wordt nog steeds duur betaald. Anders dan vroeger. Het volk heeft nu misschien wel geld voor tarbot en tong, maar heeft het er niet voor over. Dan maar een gezinszak kibbeling: vis van onbekende herkomst in vette olie gebakken. Dit laatste natuurlijk terzijde, maar niet zonder hoop op zegen.

Naar aanleiding van: Heijmerans jr., Herman (1903). Sabbath. Eene studie. Amsterdam: H.J.W. Becht. I.g.st., gaaf exemplaar. Gebonden in linnen, 92 pp., 1e druk. € 19,00 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.

Méér nieuwe oude boeken bij Cornelissen & De Jong

november 11th, 2020 by Igor Cornelissen

Stukje strand met echtpaar. Over Isaak Babel, zijn vrouw Zjenja en andere verhalen

“In Isaak Babel: Brieven naar Brussel (Moussault 1970) staat een foto van de schrijver en zijn vrouw Zjenja (Babel, die onder Boedjonny vocht bij de rode ruiterij, op zijn dertigste al een legende, later door Stalin uitgespuwd, afgevoerd, fijngeknepen) in de zomer van ’28 op het rimpelloze strand van het Belgische Saint-Idesbald, of all places! Naar zo’n foto kijk ik met meer ongeloof en verbazing dan ik kijken zou naar het eigenhandig gesigneerde statieportret van God de Vader zelf.” – Cees Buddingh

Die woorden schreef Buddingh in het literaire tijdschrift Maatstaf (jaargang 20, 1972-1973, p. 200) naar aanleiding van een foto van Isaak Babel en zijn vrouw Zjenja, zittend op het strand in West-Vlaanderen, ergens in de buurt van Saint-Idesbald. Het is een korte biografie, maar raak (even afgezien van het “rimpelloze strand”, maar wie maalt daar om?).

Ik verzamelde boeken van en over Babel. Isaak Babel werd in 1894 geboren in de joodse wijk Moldavanka van de havenstad Odessa. Zijn vader was een kleine handelaar. Op de middelbare school had Babel een uitstekende leraar Frans die hem Flaubert en De Maupassant leerde lezen en waarderen. Zijn eerste verhalen schreef Babel in het Frans. In de jaren twintig werd Babel de bekendste schrijver van het nieuwe Rusland. In 1940 werd hij doodgeschoten als trotskist en spion voor de Fransen. Hij had, na enkele weken verhoor en (dus) marteling alles bekend. Dat hij kort voor zijn executie alles introk werd pas na zijn rehabilitatie (na Stalins dood) bekend.

Toen ik in oktober 1967 voor de eerste (en laatste) keer in Odessa was, kostte het mij dankzij mijn dertig woorden Russisch weinig moeite om de wijk Moldavanka te vinden. En ik ontdekte zowaar het huis waar Isaak Babel had gewoond. In de buitenmuur was een plaquette geplaatst die hem in herinnering bracht. Ik nam er uiteraard een foto van, maar die is tot mijn grote verdriet al jaren zoek. Dat zoek-zijn geldt ook de verhalen waar Babel mee bezig was en die bij zijn arrestatie in beslag werden genomen. Het enige wat zijn nazaten in ontvangst mochten nemen was zijn ziekenfondsbrilletje. Misschien dat zijn onvoltooide werk nog eens uit de kasten van de geheime dienst naar boven komt.

In Nederland heeft Charles B. Timmer, van origine houthandelaar, die zich tijdens zijn verblijf in andere landen (Finland, Estland en Rusland) de daar gesproken talen eigen maakte. Hij zette zich tientallen jaren voor Babel in. Hij vertaalde diens werk en maakte ons westerlingen duidelijk hoe Babel – gevierd vanwege zijn verhalen over de Ruiterarmee – rond 1930 in moeilijkheden kwam toen onder Stalin de censuur strenger werd. In zijn eerste werken kwam Trotski voor als leider van het Rode Leger. Dat klopt ook. Babel had bij de cavallerie dienst genomen om er in 1920 bij te zijn toen het Rode Leger naar Warschau oprukte. Die vermelding van Trotski werd hem aangerekend. In de jaren dertig trad hij nog wel op tijdens schrijverscongressen, maar tijdens een van die bijeenkomsten vertelde hij vooral de stilte te eerbiedigen.

Babel had ondanks de steeds massalere terreur toch de stoutmoedigheid om het huis van Jezjov te bezoeken. Dat was de man die de terreur tot ongekende hoogte opdreef. Babel had eerder een verhouding met een vroegere vrouw van Jezjov. Wat Babel dreef om juist hem te bezoeken blijft raadselachtig. Wellicht was het Babels niet te stuiten nieuwsgierigheid. Hij wilde waarschijnlijk weten wat iemand dreef tot zulke monsterlijke daden. Buitendien was Jezjov een ongeletterde. Ook dat trok Babels nieuwsgierigheid. Toen Jezjov zelf werd gearresteerd, beschuldigde hij, om zichzelf te redden,  Babel ervan een Franse spion te zijn. Dat alles hielp niet. Jezjov én Babel werden vermoord, evenals de vrouw met wie Jezjov op dat moment was getrouwd.

Gruwelijkheden komen veelvuldig voor in het werk van Babel. Maxim Gorki had hem bij de aanvang van zijn schrijversschap aangeraden vooral ‘meer onder de mensen te gaan’. Die raad heeft Babel opgevolgd. Misschien iets te vaak en te veel.

Rest mij nog te vertellen dat ik mij tijdens mijn bezoek aan Odessa ook onder de mensen begaf en in een schitterend hotel met kroonluchters aan een tafel kwam te zitten met drie vrolijke Bulgaarse zeelieden die vergezeld waren van een wonderschone Russin die een weinig Engels sprak, een taal die de Bulgaren niet verstonden. De Russin die mij in het Engels vertelde dat ze aan mij de voorkeur gaf boven de zeelieden, gaf mij de opdracht hen ‘onder de tafel te drinken’. Dat lukte wel. De ober bleef maar schenken. Wodka, Krim champagne en nog meer wodka, maar de gevolgen… Ach, was Isaak Babel er maar bij geweest. Die zou er een schitterend verhaal van hebben gemaakt.


Babel, Isaak (1979). Verhalen & dagboekbladen [deel 1, 590 pp.] Toneelstukken & brieven [deel 2, 545 pp]. Amsterdam: Meulenhoff. Vertaling Charles B. Timmer. Met bibliografie, register, aantekeningen. I.z.g.st., als nieuw en zonder lezerssporen. Zeer gaaf exemplaar van het Verzameld Werk van Babel met de beide delen in één luxe zwarte box! € 42,50

Tirade, 7e jaargang, nr. 83 (november 1963). Special met verhalen over/van Isaak Babel, 737-800 pp. Goed.

Babel, Isaak (1966). Verhalen. Amsterdam: Moussault. Uit het Russisch vertaald door Charles B. Timmer. Matig, met bibliografische notitie, 370 pp., 3e druk.

Babel, Isaac (1964). The Lonely Years 1925-1939.  Unpublished Stories and Private Correspondence. New York: Noonday Press. Edited, and with an Introduction by Nathalie Babel. Translated from the Russian by Andrew R. MacAndrew, XXVIII, 402 pp. Redelijk (titelpagina deels losgescheurd, 2 losse fotopagina's). Halflinnen met omslag, fotokatern [met o.m. bovenstaande foto].

Babel, Isaac (1961). Collected Stories. Translated or revised by Walter Morison with an introduction by Lionel Trilling. Harmondworth: Penguin Books. Goed, vergeeld papier, 332 pp.

Het hele pakket Isaak Babel uit de collectie Igor Cornelissen (bovenstaande 5 titels & 6 boeken) - € 57,50 (incl. verzendkosten). Interesse? Neem contact met ons op.